68. Loopt los / loopt goed los / loopt soepel

grove motoriek

Achtergronden

 

Ontwikkelingsveld

Grove motoriek.

Neurologisch aspect

Het samenspel tussen het vestibulaire, het visuele, het tactiele systeem en de motoriek is zo ver ontwikkeld, dat het kind zijn evenwicht kan herstellen als het uit balans wordt gebracht.
Bij 18 maanden zijn de coördinatie, spierbeheersing en spierkracht zo ver ontwikkeld, dat het kind los kan lopen en daarbij zijn evenwicht kan behouden door het voortdurend aanpassen van houding en beweging. Hij loopt in het begin met een breed gangspoor, dit wil zeggen dat de voeten buiten een denkbeeldige loodlijn vanuit zijn heupen staan. Ter vergroting van het steunvlak worden de voeten in exorotatie neergezet.
Bij 2 jaar zijn de coördinatie van het bewegen en de beheersing van het evenwicht zo ver ontwikkeld dat het kind makkelijk kan starten, wenden en stoppen zonder uit balans te raken. Het gangspoor is smaller geworden en het kind houdt de armen dichter bij het lichaam.
Bij 3 jaar zijn de coördinatie en evenwicht zo ver ontwikkeld dat het kind bij het lopen zijn schouders, armen, romp en benen soepel beweegt. De schouders vormen niet meer één blok met de romp. De armen worden in tegengestelde richting ten opzichte van het contralaterale been bewogen. Het gangspoor is nog smaller geworden, waarbij de voeten binnen de heupbreedte blijven. De exorotatiestand van de voeten vermindert. Het kind kan zijn looprichting en zijn loopsnelheid zonder problemen abrupt veranderen om obstakels vermijden, zonder daarbij uit evenwicht te raken.
Bij onvoldoende samenspel tussen de verschillende sensorische systemen en de motoriek blijft de beweging houterig.

Psychologisch aspect

De beheersing van het lopen betekent voor het kind een nieuwe mijlpaal in de ontwikkeling van het exploratiegedrag.

   
Onderzoekleeftijd

 

Aanbevolen leeftijd

18 maanden (1 1/2 jaar), 2 jaar, 3 jaar.

Spreiding

Dit kenmerk wordt standaard op drie momenten in de peuterperiode onderzocht. De uitvoering blijft daarbij onveranderd, de beoordelingscriteria wijzigen telkens.
Bij 18 maanden (loopt los): 15 1/2 – 19 1/2 maanden (67 - 84 weken)
Bij 2 jaar (loopt goed los): 16 1/2 ­ 24 maanden (71 - 103 weken).
Bij 3 jaar (loopt soepel): 30 – 42 maanden (129 - 181 weken).

Bekijk figuur 68a
Bekijk figuur 68b

   
Onderzoekmethode

 

Uitgangspositie kind

Het kind staat.

Uitvoering onderzoek

De onderzoeker lokt het kind zo nodig uit om door de onderzoekkamer te gaan lopen, bijvoorbeeld naar zijn moeder of achter een bal aan. Vanaf de leeftijd van 2 jaar moet het lopen beoordeeld kunnen worden over een afstand van minimaal 5 m.

Observatie

De onderzoeker observeert of en hoe het kind los loopt. De onderzoeker observeert het looppatroon en let daarbij op de kwaliteit van het lopen, met name op de volgende aspecten:

  • de symmetrie van houding en beweging van romp, armen en benen
  • de soepelheid van bewegen van benen, romp, schouders en heupen
  • de bewegingsrichting van de armen ten opzichte van de benen
  • de breedte van het gangspoor
  • het contact van de voeten met de vloer
  • de wendbaarheid / het vermijden van voorwerpen op de vloer.

Als het kind blijkt te kunnen los lopen, vraagt de onderzoeker aan de ouder op welke leeftijd het kind voor het eerst los liep.

Beoordeling

Aan de hand van de informatie in de figuren `Beoordelingsaspecten van het lopen’ naar Hempel (1993) en Touwen (1992) kan het lopen op de standaard leeftijden en op de tussenliggende leeftijden beoordeeld worden. Hieronder worden bij de negatieve beoordeling alleen de meest voorkomende afwijkingen genoemd. Voor de overige wordt verwezen naar de figuren.

Bij 18 maanden: loopt los  
Positief

Het kind loopt minstens drie passen los. Het lopen mag nog onzeker, zoekend naar de juiste balans en wijdbeens zijn, maar overwegend op de vlakke voet. Kinderen die nog maar kort kunnen lopen, hebben een gangspoor met brede basis (het gangspoor valt buiten de heuplijn). Daarbij zijn de voeten in exorotatie, worden de armen geabduceerd en zijn de ellebogen in flexie of extensie. De schouders blijven ten opzichte van de heupen in vrijwel dezelfde positie; er zijn dus nauwelijks romprotaties waar te nemen. Dit typische looppatroon geeft de minste kans op het verliezen van het evenwicht.

Negatief

Het kind loopt niet los

of

het kind loopt > 50% van de tijd op de tenen

of

het kind vertoont een stereotiep asymmetrisch looppatroon.

Bij 2 jaar: loopt goed los  
Positief

Het kind loopt gemakkelijk 5 meter of meer op de vlakke voet, kan starten, wenden en stoppen zonder zijn evenwicht te verliezen.

Negatief

Het kind loopt niet of minder dan 5 meter

of

het kind loopt > 50% van de tijd op de tenen

of

het kind verliest bij herhaling zijn evenwicht bij het lopen

of

het kind vertoont een asymmetrisch looppatroon.

Bij 3 jaar: loopt soepel  
Positief

Het kind loopt met een normaal gangspoor, met symmetrische en soepele bewegingen van benen, romp en schouders. De armen worden soepel vanuit de schouders in tegengestelde richting ten opzichte van het contralaterale been bewogen. Het kind kan voorwerpen in de ruimte vermijden bij het lopen.

Negatief

Indien twee van de genoemde aspecten afwijkend zijn.

   
Registratie

+ Bij positieve respons

-­ Bij negatieve respons

Als de onderzoeker bijzonderheden aan het looppatroon opmerkt, moet hij die zowel bij een positieve als bij een negatieve score bij ‘opmerkingen’ registreren.
Voorbeelden bij positieve score: dribbelen, af en toe tenengang.
Voorbeelden bij negatieve score: voortdurende tenengang, houterig bewegingspatroon, ongecoördineerde bewegingen, armen in abductie-flexie, asymmetrie (met uitleg), stijfheid van beweging, niet meebewegen van de armen, telgang, etc.

Discipline

18 maanden: Alle disciplines mogen alle onderdelen doen.

2 jaar: JV, VS en JA mogen alle onderdelen doen.

Informatie over overleg / consultatie 

Indien de DA (bij 18 maanden) of de JV het kenmerk uitvoert volgt bij een negatieve score altijd overleg met VS/JA

Advies

(18 maanden)

Adviseer ouders om de grofmotorische ontwikkeling te stimuleren en ga daarbij in op het stimuleren van het lopen.

Alarmsymptoom

(2 jaar)

Continu of meer dan de helft van de tijd tenengang, asymmetrie in (hoeveelheid) beweging; op korte termijn consultatie van VS/JA.

   
Overweging

Als alarmerende symptomen moeten worden beschouwd (Touwen, 1992):

  • niet los staan en/of lopen op de leeftijd van 18 ­ 20 maanden
  • stereotiep asymmetrische houding
  • stereotiep asymmetrisch looppatroon
  • brede basis bij staan en lopen (na 24 maanden)
  • (voortdurend) op de tenen staan en/of lopen
  • aanhoudende flexie van de tenen (‘klauwen’) bij staan en / of lopen
  • endorotatie van de voeten met beperkte extensie van de heupen (‘scharen’) op elke leeftijd bij loslopen 
  • onvermogen tot gedifferentieerd bewegen van de schouders ten opzichte van het bekken bij staan en lopen (vanaf 3 jaar) (‘blokbeweging’).
  • een te lage of te hoge spiertonus. Bij een hypotonie is er vaak sprake van een houterige, instabiel looppatroon, waarbij de knieën overstrekt kunnen zijn en bij erge hypotonie een breedspoor, en vaak tenenloop).
  • Bij hypertonie is het looppatroon stijf.

NB Bij een waggelende gang behoort een dysplastische heupontwikkeling uitgesloten te worden.

 

Referenties Bijlage 8, tabel 68.

Dit kenmerk is ook van belang voor de JGZ-richtlijn Vroeg en/of small voor gestational age (SGA) geboren kinderen.

 

Let op: Dit zijn DIY-video's voor ouders om hen te betrekken bij het onderzoek. En dient voor de professionals als audiovisuele ondersteuning bij de beschreven instructie.

1,5 jaar

2 jaar

2,5 jaar

3 jaar

3,5 jaar

4 jaar

4,5 jaar

Deel dit met je netwerk