Vorig kenmerk                                                                        Volgend kenmerk                                                        Naar overzicht

68. Loopt los / loopt goed los / loopt soepel

Van Wiechenfilmpjes

De filmpjes kunnen gebruikt worden om de ouders te betrekken bij het onderzoek en dienen voor de professionals als audiovisuele ondersteuning bij de beschreven instructie.

In gesprek met ouders

Je kind leert lopen, van de eerste voorzichtige stappen tot soepel rennen. Tijdens het lopen gebruikt het lichaam informatie van zintuigen zoals de ogen, tast en evenwicht om te bewegen en in balans te blijven. Als het lichaam beter samenwerkt en controle heeft, worden moeilijkere bewegingen mogelijk, zoals bochten maken. Daarom bekijken we steeds opnieuw hoe het lopen zich ontwikkelt. In het begin staan de voeten wijd uit elkaar en naar buiten gedraaid, en de armen zijn wijd gespreid. Dit helpt om makkelijker in balans te blijven. Het lopen kan er nog wiebelig uitzien. Na verloop van tijd worden de stappen minder breed en draaien de voeten naar binnen. De benen kunnen van een O-vormige stand naar een X-vormige stand gaan. Rond 2 jaar leert je kind starten, stoppen en draaien zonder uit balans te raken. Rond 3 jaar wordt dit nog beter en kan je kind plotselinge bewegingen maken zonder uit balans te raken. Ook kan je kind zijn schouders draaien terwijl het loopt, zodat je naast of achter je kunt kijken tijdens het lopen. Het lopen ziet er dan soepel uit.

Het leren lopen gaat in stappen en vereist veel oefening. Het is nuttig om blote voeten te gebruiken, zodat je kind de ondergrond voelt en leert hoe de voet goed beweegt. Een loopfiets is een goede oefening voor balans, maar het is een andere beweging dan lopen.

1,5 jaar

2 jaar

2,5 jaar

3 jaar

3,5 jaar

4 jaar

4,5 jaar

Instructies voor professionals
Achtergronden
Ontwikkelingsveld Grove motoriek.
Neurologisch aspect Het samenspel tussen het vestibulaire, het visuele, het tactiele systeem en de motoriek is zo ver ontwikkeld, dat het kind zijn evenwicht kan herstellen als het uit balans wordt gebracht.
Bij 18 maanden zijn de coördinatie, spierbeheersing en spierkracht zo ver ontwikkeld, dat het kind los kan lopen en daarbij zijn evenwicht kan behouden door het voortdurend aanpassen van houding en beweging. Hij loopt in het begin met een breed gangspoor, dit wil zeggen dat de voeten buiten een denkbeeldige loodlijn vanuit zijn heupen staan. Ter vergroting van het steunvlak worden de voeten in exorotatie neergezet.
Bij 2 jaar zijn de coördinatie van het bewegen en de beheersing van het evenwicht zo ver ontwikkeld dat het kind makkelijk kan starten, wenden en stoppen zonder uit balans te raken. Het gangspoor is smaller geworden en het kind houdt de armen dichter bij het lichaam.
Bij 3 jaar zijn de coördinatie en evenwicht zo ver ontwikkeld dat het kind bij het lopen zijn schouders, armen, romp en benen soepel beweegt. De schouders vormen niet meer één blok met de romp. De armen worden in tegengestelde richting ten opzichte van het contralaterale been bewogen. Het gangspoor is nog smaller geworden, waarbij de voeten binnen de heupbreedte blijven. De exorotatiestand van de voeten vermindert. Het kind kan zijn looprichting en zijn loopsnelheid zonder problemen abrupt veranderen om obstakels vermijden, zonder daarbij uit evenwicht te raken.
Bij onvoldoende samenspel tussen de verschillende sensorische systemen en de motoriek blijft de beweging houterig.
Bekijk het scoringsformulier ‘Beoordelingsaspecten van het lopen’.
Bekijk het scoringsformulier ‘Beoordelingsaspecten van het looppatroon’
Psychologisch aspect De beheersing van het lopen betekent voor het kind een nieuwe mijlpaal in de ontwikkeling van het exploratiegedrag.
Onderzoekleeftijd Referentiewaarden (percentage dat het kenmerk positief scoort)
Loopt los
77-78 weken 95,3 %
79-80 weken 97,1 %
Loopt goed los
23-24 maanden 99,5 %
Loopt soepel
35- 36 maanden 99,9 %
Onderzoekmethode
Uitgangspositie kind Het kind staat.
Uitvoering onderzoek De onderzoeker lokt het kind zo nodig uit om door de onderzoekkamer te gaan lopen, bijvoorbeeld naar zijn moeder of achter een bal aan. Vanaf de leeftijd van 2 jaar moet het lopen beoordeeld kunnen worden over een afstand van minimaal 5 m.
Observatie De onderzoeker observeert of en hoe het kind los loopt. De onderzoeker observeert het looppatroon en let daarbij op de kwaliteit van het lopen, met name op de volgende aspecten:

  • de symmetrie van houding en beweging van romp, armen en benen
  • de soepelheid van bewegen van benen, romp, schouders en heupen
  • de bewegingsrichting van de armen ten opzichte van de benen
  • de breedte van het gangspoor
  • het contact van de voeten met de vloer
  • de wendbaarheid / het vermijden van voorwerpen op de vloer.

Als het kind blijkt te kunnen los lopen, vraagt de onderzoeker aan de ouder op welke leeftijd het kind voor het eerst los liep.

Beoordeling Aan de hand van de informatie in de beoordelingsformulieren ‘Beoordelingsaspecten van het lopen en het looppatroon’ naar Hempel (1993) en Touwen (1992) kan het lopen op de standaard leeftijden en op de tussenliggende leeftijden beoordeeld worden. Hieronder worden bij de negatieve beoordeling alleen de meest voorkomende afwijkingen genoemd. Voor de overige wordt verwezen naar de figuren.
Bij 18 maanden:
loopt los
Positief Het kind loopt minstens drie passen los. Het lopen mag nog onzeker, zoekend naar de juiste balans en wijdbeens zijn, maar overwegend op de vlakke voet. Kinderen die nog maar kort kunnen lopen, hebben een gangspoor met brede basis (het gangspoor valt buiten de heuplijn). Daarbij zijn de voeten in exorotatie, worden de armen geabduceerd en zijn de ellebogen in flexie of extensie. De schouders blijven ten opzichte van de heupen in vrijwel dezelfde positie; er zijn dus nauwelijks romprotaties waar te nemen. Dit typische looppatroon geeft de minste kans op het verliezen van het evenwicht.
Negatief
  • Het kind loopt niet los of
  • het kind loopt > 50% van de tijd op de tenen of
  • het kind vertoont een stereotiep asymmetrisch looppatroon.
Bij 2 jaar:
loopt goed los
Positief Het kind loopt gemakkelijk 5 meter of meer op de vlakke voet, kan starten, wenden en stoppen zonder zijn evenwicht te verliezen.
Negatief
  • Het kind loopt niet of minder dan 5 meter of
  • het kind loopt > 50% van de tijd op de tenen of
  • het kind verliest bij herhaling zijn evenwicht bij het lopen of
  • het kind vertoont een asymmetrisch looppatroon.
Bij 3 jaar:
loopt soepel
Positief Het kind loopt met een normaal gangspoor, met symmetrische en soepele bewegingen van benen, romp en schouders. De armen worden soepel vanuit de schouders in tegengestelde richting ten opzichte van het contralaterale been bewogen. Het kind kan voorwerpen in de ruimte vermijden bij het lopen.
Negatief Indien twee van de genoemde aspecten afwijkend zijn.
Registratie + Bij positieve respons
-­ Bij negatieve respons
Als de onderzoeker bijzonderheden aan het looppatroon opmerkt, moet hij die zowel bij een positieve als bij een negatieve score bij ‘opmerkingen’ registreren.
Voorbeelden bij positieve score: dribbelen, af en toe tenengang.
Voorbeelden bij negatieve score: voortdurende tenengang, houterig bewegingspatroon, ongecoördineerde bewegingen, armen in abductie-flexie, asymmetrie (met uitleg), stijfheid van beweging, niet meebewegen van de armen, telgang, etc.
Discipline 18 maanden: Alle disciplines mogen dit kenmerk uitvoeren..
2 jaar: JV, VS en JA mogen dit kenmerk uitvoeren.
Informatie over overleg / consultatie Indien de DA (bij 18 maanden) of de JV het kenmerk uitvoert volgt bij een negatieve score altijd overleg met VS/JA
Bij alarmsymptoom op korte termijn consultatie van de VS/JA.
Advies (18 maanden) Adviseer ouders om de grof motorische ontwikkeling te stimuleren en ga daarbij in op het stimuleren van het lopen.
Alarmsymptoom Als alarmerende symptomen moeten worden beschouwd (Touwen, 1992).

  • niet los staan en/of lopen op de leeftijd van 18 maanden
  • stereotiep asymmetrische houding
  • stereotiep asymmetrisch looppatroon
  • brede basis bij staan en lopen (na 24 maanden)
  • (voortdurend) op de tenen staan en/of lopen
  • aanhoudende flexie van de tenen (‘klauwen’) bij staan en / of lopen
  • endorotatie van de voeten met beperkte extensie van de heupen (‘scharen’) op elke leeftijd bij loslopen
  • onvermogen tot gedifferentieerd bewegen van de schouders ten opzichte van het bekken bij staan en lopen (vanaf 3 jaar) (‘blokbeweging’).
  • een te lage of te hoge spiertonus. Bij een hypotonie is er vaak sprake van een houterige, instabiel looppatroon, waarbij de knieën overstrekt kunnen zijn en bij erge hypotonie een breedspoor, en vaak tenenloop). Bij hypertonie is het looppatroon stijf.NB: Bij een waggelende gang behoort een dysplastische heupontwikkeling uitgesloten te worden.

Welkom op onze nieuwe website!

Heb je een gebruikersaccount? Dan ontvang je van ons een mail om je account opnieuw te activeren.