Nieuwsbericht

Contactpersoon:
Yvonne Vanneste adviseur
Telefoon: 06 - 83 77 83 91
E-mail: yvanneste@ncj.nl

Dialoog tussen 'jong' en 'oud' over vakmanschap en samenwerken

donderdag 22 augustus 2019

Claudia is net afgestudeerd als basisarts en in opleiding tot jeugdarts. Marian is een ervaren jeugdarts. Aan de hand van een aantal vragen gaan zij met elkaar in gesprek over hun vak.

Wat vind jij belangrijk in je werk?

Claudia: Het belangrijkste in mijn werk vind ik de zingeving, het daadwerkelijk iets kunnen betekenen voor kinderen en ouders. Daarvoor moet ik wel een relatie kunnen opbouwen met hen en met mijn samenwerkingspartners. Pas dan kan ik mijn werk goed doen. Daarnaast moet er ruimte zijn voor innovatie, zodat de zorg en werkwijze steeds kunnen worden verbeterd.

Marian: Er is in mijn werk veel veranderd in alle jaren. Ik ben gestart met pgo’s, waar ik weinig voldoening uit haalde. Mensen vroegen mij wel eens: ‘En, levert het ook nog wel eens wat op?’ Toen was ik verbolgen over deze vraag maar nu denk ik: een zeer terechte vraag! Tegenwoordig zie ik eigenlijk alleen nog maar complexe problematiek. Wat mij betreft is mijn werk inhoudelijk waardevoller en zinvoller geworden. Geen standaardwerk meer, maar maatwerk, waarbij ik al mijn kwaliteiten als jeugdarts mag inzetten voor de beste zorg.

Het belangrijkste in mijn werk vind ik de zingeving, het daadwerkelijk iets kunnen betekenen voor kinderen en ouders.

Ben je als basisarts voldoende opgeleid om als jeugdarts te werken?

Marian: Als basisarts ben je zeker onvoldoende opgeleid voor complexe sociaal geneeskundige problematiek. Het vak jeugdarts is heel anders dan het vak basisarts. Als basisarts wordt je vooral opgeleid in het analyseren van klachten en het diagnosticeren en behandelen van ziekten. Als jeugdarts houd je je bezig met groei en ontwikkeling, je maakt de inschatting of de ontwikkeling tot nu toe en in de nabije toekomst goed gaat en of er ondersteuning nodig is. Jeugdartsen werk is echt een vak apart!

Claudia: Maar niet alleen opleiding, ook ervaring is belangrijk. Ik denk dat standaard onderzoeken niet onderschat moeten worden en van belang zijn om normale variatie te kunnen onderscheiden en medicalisering te voorkomen. Je bent als basisarts inderdaad niet voldoende toegerust om het werk van een jeugdarts uit te voeren. Ik heb dat zelf ervaren. In het jeugdartsen vak is er geen sprake van hiërarchie: je bent laagdrempelig en van de preventie waarbij ouders meestal niet zelf komen met een hulpvraag. Soms moet je ze dan ook laten inzien dat er iets moet veranderen. Het voelt soms ook als ouders ‘aan de tand voelen’. En hoe je dat goed doet, moet je leren. Daarvoor zijn heel andere gesprekstechnieken nodig. Daarnaast heb je natuurlijk de verdiepende medische onderzoeken waar je nog niet in volleerd bent als basisarts. Ook is het een andere manier van werken met gemeenten en hun 4-jarig beleidsplan waarop jij beleidsadviezen geeft om de gezondheid en ontwikkeling van de kinderen in jouw gemeente te bevorderen. Hoe dit te doen leer je tijdens de opleiding tot jeugdarts.

Wat geeft je plezier in je werk? 

Claudia: De glimlach van een kind of ouder nadat ik hen heb kunnen helpen, op welke manier dan ook. Daarnaast de uitdaging om het vertrouwen te winnen van samenwerkingspartners, scholen, gemeenten, kinderen en ouders. En de uitdaging om een goede structuur te vinden, in de vrijheid in vormgeving van mijn werkzaamheden, zodat het proces zo efficiënt en effectief mogelijk verloopt. Tot slot zorgt de fijne samenwerking met mijn collega’s ervoor dat ik mijn werk met plezier doe.  Momenteel zijn er veel veranderingen die ‘over elkaar heen vallen’. Het een is nog niet geïmplementeerd of het ander wordt weer ingevoerd. Dat geeft veel verwarring en onrust waardoor ik mijn werk niet goed kan doen.

Marian: Plezier in mijn werk haal ik uit het contact met mijn collega’s, goede afspraken met samenwerkingspartners en uit het gevoel dat ik het verschil voor kinderen en hun ouders kan maken. Dat ik iets kan toevoegen waardoor het beter met hen gaat.

Wat maakt jou goed in je werk? 

Marian: Ik kan heel goed luisteren en ben laagdrempelig, waardoor mensen zich snel bij mij op hun gemak voelen. Ik ben aardig, heb humor en kan het ‘licht’ houden. En ik ben benaderbaar voor mijn ketenpartners. Ik ben nieuwsgierig en geïnteresseerd in hun verhaal. Daarnaast kan ik goed analyseren, niet alleen wat betreft de gepresenteerde klachten, maar ook met betrekking tot regie en verantwoordelijkheden. Mijn eigen ervaring als ouder van pubers heeft mij nog beter gemaakt in mijn werk. En zo komen we te praten over wat het ’ouder-zijn’ doet met jou als jeugdarts. Dat maakt vooral dat ik weet hoe het is als iemand anders iets zegt over mijn kind. Hoe kwetsbaar je bent als ouder. Hoe belangrijk het voor ouders is om iets positiefs te horen over hun kind. We zeggen soms te gemakkelijk “Het gehoor is niet goed” of “Ik verwijs je kind naar de kinderarts”. Dat raakt ouders! 

Claudia: Daar heb je helemaal gelijk in! In het begin zei ik wel eens iets waardoor ouders compleet afhaakten. Dat was niet mijn bedoeling, maar het gebeurde wel. Je bent je er te weinig van bewust wat sommige uitspraken met ouders doen. Om dit te leren hoef je zelf geen ouder te zijn, je kunt dit ook leren van je collega’s. Daarom is ervaring opdoen en meelopen met collega’s  zo belangrijk! En ook belangrijk is om hierover regelmatig feedback te vragen van jongeren en ouders! 

Wat mij goed maakt in mijn werk zijn bijvoorbeeld mijn enthousiasme en interesse. Ik wil alles goed uitzoeken en ik zorg voor goede opvolging. Mijn nieuwsgierigheid maakt dat ik door blijf vragen en zo in goed contact kom met kinderen en ouders. Sensitiviteit heeft in ons vak zeker ook voordeel. Het versterkt je signalerings kwaliteiten. Te veel belemmeringen op organisatorisch en administratief gebied belemmeren mij in het goed uitvoeren van mijn werk. Passende (facilitaire) ondersteuning van de organisatie zou de werkdruk kunnen verminderen, waardoor ik me meer kan focussen op de kwaliteit van mijn vakgebied.

Wat deel jij met je collega's?

Claudia: Vriendschap en leed. Maar ook casuïstiek die aangrijpt of juist humor, enthousiasme en liefde voor het vak. Er is ook veel loyaliteit naar collega’s toe, waarbij we eerder over onze eigen grenzen heen gaan. We helpen graag en laten onze teamgenoten niet stikken!

Marian: Mee eens. Die enorme loyaliteit naar je collega’s, en niet te vergeten naar kinderen en ouders, om zo goed mogelijke hulpverlening te bieden, herken ik helemaal. Maar mijn loyaliteit naar de GGD ligt wat ingewikkelder. De keuzes die gemaakt worden zijn niet altijd goed te volgen, er lijkt soms een groot gat tussen waar wij als JGZ tegenaan lopen en waarover anderen binnen de GGD het hebben. Mijn collega’s van andere afdelingen lijken geen benul te hebben van waar wij als JGZ mee bezig zijn en waar we tegen aanlopen. Daardoor voel ik mij wel eens tekort gedaan. En als er dan iets niet goed gaat binnen de afdeling JGZ, schiet men gemakkelijk in de controle. Daaruit spreekt wantrouwen en dat raakt mij.

Claudia: Inderdaad, dat herken ik ook. Het voelt soms alsof we een andere taal spreken, ze geven aan dat ze ons horen, maar daar heb ik zo mijn twijfels over.

Voor mijn eigen zingeving wil ik waarde toevoegen aan het kind.

Wat versta jij onder Vakmanschap?

Claudia: Weten wat jouw vak inhoudt. Niet alleen de kennis maar ook de grenzen van je vak. Daarmee bedoel ik dat het belangrijk is deze grenzen te erkennen en ernaar te handelen. Daarnaast ook het kunnen organiseren van je kennis en handelingen binnen je organisatie, zodat je je vak hoog kwalitatief kunt uitvoeren. Als jeugdarts ben je overstijgend. Weet dit, handel ernaar en deel het! 

Marian: Ik ben jeugdarts geworden omdat ik van kinderen houd, omdat ik wil dat het goed met ze gaat, en het liefst ‘red’ ik ze ook nog. Ik heb een opleiding gevolgd en heb kennis en vaardigheden. Er zit in mij een soort motor, waardoor ik moeilijk kan loslaten. Ik laat mij graag leiden door deze drive. Ik mag van mezelf eigenlijk pas stoppen als ik het idee heb dat ik het verschil heb gemaakt. 

Claudia: Inderdaad, die grote verantwoordelijkheid voel ik ook! Voor wie doen we het allemaal? 

Marian: Voor het kind én voor mezelf. Wat vind ik belangrijk in het leven? Dat ik betrouwbaar ben en tot steun ben voor de ander. Voor mijn eigen zingeving wil ik waarde toevoegen aan het kind.