| Uitvoering | |
| Uitgangspositie kind | Het kind staat voor een open plek in de onderzoeksruimte, waar het meubilair genoeg plaats overlaat om te hinkelen (minstens 3 strekkende meters, gebruik de markeringen zie gebruikt worden bij kenmerk 10 Hielen lopen). De afstand die het kind kan afleggen moet zo groot zijn dat het in staat is voldoende passen te maken. |
| Uitvoering onderzoek | Meestal begrijpt het kind de opdracht zo, zo nodig doet de onderzoeker de opdracht voor. De onderzoeker geeft aan over welke afstand/ traject het kind moet hinkelen. De onderzoeker telt in gedachten mee. Wanneer het kind te vroeg stopt wordt de opdracht herhaald en telt de onderzoeker zachtjes mee ter aansporing. |
| Opdracht | “Kun jij deze afstand hinkelen in 10 (kleine) sprongetjes?” |
| Observatie | De onderzoeker let op het aantal sprongen. Tevens observeert hij of er duidelijke ondersteunende armbewegingen nodig zijn om van de grond los te komen en of er soepel op de voorvoet geland wordt of plomp op de gehele voet. Armen die duidelijk hoog worden opgetild — met name boven navelhoogte — wijzen op verminderde balanscontrole en vallen binnen de criteria voor een 0-score op kwaliteit. In het getoonde filmpje is bij het tweede been zichtbaar dat de armen beduidend hoger worden geheven; dit voorbeeld komt daarom overeen met een 0-score voor de kwalitatieve uitvoering. |
| Beoordeling en registratie | |
| Kwantitatief | score 0: minder dan 9 sprongen links en/of rechts score 1: 9 sprongen of meer links en rechts |
| Kwalitatief | soepel of niet score 0: landt op hele voet, ondersteunende armbewegingen tot boven de navel score 1: landt op voorvoet, ontspannen armen of bewegen niet boven de navel |