51. Begrijpt analogie├źn en tegenstellingen

communicatie

Achtergronden

 
Ontwikkelingsveld

Communicatie (passieve taalontwikkeling), persoonlijkheid en sociaal gedrag.

Psychologisch aspect

De woordenschat breidt zich niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief sterk uit. Er verschijnen steeds meer abstracte begrippen van ruimte en tijd. Het kind gaat ook meer denken over de taal en gaat vragen naar de betekenis van woorden. De taal wordt zelf onderdeel van gesprek of beschouwing. Het kind gaat steeds meer in taal denken. Het inzicht in relaties neemt toe en daarmee ook het begrip en gebruik van analogieën en tegenstellingen.

   
Onderzoekleeftijd

 

Aanbevolen leeftijd

54 maanden (4,5 jaar).

Spreiding

48 ­- 58,5 maanden.

   
Onderzoekmethode

 

Uitgangspositie kind

Niet bepaald.

Uitvoering onderzoek

De onderzoeker vraagt het kind de volgende zin af te maken: “Luister eens, soep is warm en ijs is ...?” Geef het kind vijf tellen de tijd om te antwoorden (het goede antwoord is “koud”). Antwoordt het kind niet of foutief, herhaal dan de zin een keer en ga vervolgens door met de andere drie zinnen:
Een schaar knipt en een potlood ...? (schrijft, tekent of verft)
Overdag is het licht, ’s nachts is het ...? (donker)
Ik eet van een bord, ik drink uit een ...? (beker, glas, kopje)
Deze zinnen mogen niet herhaald worden. Wacht na elke opgave vijf tellen op de reactie van het kind.
Als het kind weigert te antwoorden bij de eerste twee zinnen, kan met dit onderdeel gestopt worden.
Als het kind zich na een foutieve reactie onmiddellijk en spontaan herstelt, is het antwoord alsnog goed. Het antwoord moet verstaanbaar zijn.

Observatie

De onderzoeker observeert of het kind de zinnen op een juiste manier kan aanvullen.

Anamnese

Als het kind geen zinnen kan aanvullen vraagt de onderzoeker aan de ouder: “Zou ... dit thuis wel kunnen, denkt u?”.

   
Beoordeling

De 4 items zijn afkomstig uit Taalscreeningsinstrument (TSI) voor 4­jarigen van Gerritsen (1988). De gehele lijst bestaat uit 34 items waarbij voor elk item een punt kan worden gescoord. Bij de constructie van de vragenlijst is gekozen voor items die door ongeveer 90% van de kinderen beantwoord kan worden. Voor de vier losse items is geen aparte normering. Voor het totale aantal van 34 items geldt dat de kinderen ruim 85% van alle items correct moeten beantwoorden voor het predikaat ‘goed’. Een lagere score betekent ‘zwak’. Als vuistregel kunnen we hanteren dat kinderen 3 van de 4 zinnen correct moeten kunnen aanvullen.

Positief

Het kind kan 3 of 4 zinnen correct aanvullen.

Negatief

Het kind kan 0, 1 of 2 zinnen correct aanvullen.

en

de ouder beantwoordt bovenstaande vraag ontkennend.

   
Registratie

+ Bij positieve respons.

M Bij anamnestisch positieve respons.

-­ Bij negatieve respons.

Discipline Alle disciplines mogen alle onderdelen doen.
Informatie over overleg / consultatie 

Indien de DA het kenmerk uitvoert mag bij een negatieve score de JV geconsulteerd worden.

Indien de JV het kenmerk uitvoert moet bij een negatieve score de VS/JA geconsulteerd worden.

Advies Adviseer ouders om de communicatieve ontwikkeling te stimuleren en ga daarbij in op het stimuleren van de taalontwikkeling (bijvoorbeeld adviezen over taalaanbod, interactie en spel).
Overweging

Bij de interpretatie van de beantwoording moet de onderzoeker rekening houden met het taalaanbod thuis. Indien het kind niet Nederlandstalig wordt opgevoed, is een zinnen­aanvultest een lastige opgave. Dit geldt tevens voor Nederlandstalige kinderen bij wie het taalaanbod thuis in kwaliteit en/of kwantiteit achterblijft. Ook extreem verlegen kinderen kunnen moeite hebben met de zinnen­aanvultest.

   
Referenties

Bijlage 8, tabel 51.

Dit kenmerk is ook van belang voor de concept richtlijn Vroegtijdige opsporing gehoorstoornissen 0-18 jaar.

Let op: Dit is een DIY-video voor ouders om hen te betrekken bij het onderzoek. En dient voor de professionals als audiovisuele ondersteuning bij de beschreven instructie.

Deel dit met je netwerk