36. Maakt communicatieve gebaren

communicatie

Achtergronden

 

Ontwikkelingsveld

Communicatie, persoonlijkheid en sociaal gedrag.
Psychologisch aspect

Door middel van communicatieve gebaren begint het kind blijk te geven van inzicht in de dagelijks terugkerende sociale gebruiken. Het gebruik van communicatieve gebaren gaat vooraf aan taalproductie. Voorbeelden zijn: ‘dag­dag’ zwaaien, wijzen naar iets dat het kind graag wil (‘imperatief wijzen’, vaak gepaard gaande met aankijken en brabbelen), intentioneel imiteren van gebaren of handen omhoog doen bij ‘hoera’. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die zwak zijn in taalbegrip en taalproductie maar wel vlot communicatieve gebaren gebruiken meer kans hebben huntaalachterstand in te halen dan kinderen die weinig gebaren in de communicatie, zoals kinderen met ASS. Op deze leeftijd maakt imitatiegedrag deel uit van het gebruik van communicatieve gebaren.

   
Onderzoekleeftijd

 

Aanbevolen leeftijd

52 weken (12 maanden).

Spreiding

48 -­ 56 weken (11 -­ 13 maanden).

   
Onderzoekmethode

 

Uitgangspositie kind

Niet bepaald.

Uitvoering onderzoek

De onderzoeker spoort het kind aan tot het maken van communicatieve gebaren, zoals dag zwaaien, handjes omhoog bij hoera, gebaren nadoen bij versjes, aanwijzen welk van twee getoonde voorwerpen het kind wil hebben.

Observatie

De onderzoeker observeert of het kind communicatieve gebaren maakt in duidelijke interactie met de onderzoeker en/of de ouder.

Anamnese

Als het gewenste gedrag niet tijdens het consult kan worden geobserveerd, vraagt de onderzoeker de ouder: “Zwaait ... wel eens als er iemand binnenkomt of weggaat?”. Of: “Als .... ergens niet bij kan, wijst hij er dan naar met zijn eigen wijsvinger, u daarbij aankijkend?’ Zo niet: “Maakt ... wel eens andere gebaren? Welke?”

   
Beoordeling

 

Positief

Het kind laat zelf, zonder hulp van de ouder, een communicatief gebaar zien. Het gaat niet alleen om letterlijk nadoen maar om wederkerigheid.

of

het kind wijst met eigen wijsvinger het door hem gewenste voorwerp aan en kijkt de onderzoeker aan.

Negatief

Het kind vertoont geen van de genoemde communicatieve gebaren

of

het gebaar heeft geen communicatieve functie in de zin van iemand gedag zeggen (wuiven) of iemand iets vragen (wijsgebaar) maar beperkt zich tot letterlijk nadoen.

en

de ouder beantwoordt bovengenoemde vragen ontkennend.

   
Registratie

+ Bij geobserveerde positieve respons.

M Bij anamnestisch positieve respons.

-­ Bij negatieve respons.

Discipline Alle disciplines mogen alle onderdelen doen.
Informatie over overleg / consultatie

Indien de DA het kenmerk uitvoert mag bij een negatieve score de JV geconsulteerd worden.

Indien de JV het kenmerk uitvoert moet bij een negatieve score de VS/JA geconsulteerd worden.

Advies Adviseer ouders om de communicatieve ontwikkeling te stimuleren en ga daarbij in op het spelen met hun kind (bijvoorbeeld door het zingen van kinderliedjes met gebaren). 
Overweging

Bij de interpretatie van de respons moet de onderzoeker rekening houden met de kwantiteit en de kwaliteit van het taalaanbod, met de taalproductie en met de ouder­kind relatie. Het niet laten zien van communicatieve gebaren en dan met name de afwezigheid van wijzen op deze leeftijd, kan wijzen op ASS. Geen imitatie­ en kiekeboespelletjes na de leeftijd van 9-10 maanden is alarmerend (Touwen, 1990)

   
Referenties

Bijlage 8, tabel 36.

Dit kenmerk is ook van belang voor de concept richtlijn Vroegtijdige opsporing gehoorstoornissen 0-18 jaar en de JGZ-richtlijn Vroeg en/of small voor gestational age (SGA) geboren kinderen.

Let op: Dit is een DIY-video voor ouders om hen te betrekken bij het onderzoek. En dient voor de professionals als audiovisuele ondersteuning bij de beschreven instructie. In deze video wordt alleen gesproken over wijzen en zwaaien. Echter, ook andere gebaren zoals liedjes mogen positief gescoord worden. 

Bijkomende instructie voor professionals: Bij dit kenmerk mag de onderzoeker door haar gedrag ook communicatieve gebaren uitlokken, zoals ‘handjes omhoog bij hoera’, het nadoen van gebaren bij versjes of het kind laten aanwijzen welk van twee getoonde voorwerpen het wil hebben. Als het gewenste gedrag tijdens het consult niet kan worden geobserveerd, vraagt de onderzoeker de ouder: ‘zwaait uw kind wel eens als er iemand binnenkomt of weggaat?’ Of ‘Als uw kind ergens niet bij kan, wijst hij er dan naar met zijn eigen wijsvinger, u daarbij aankijkend?’ Zo niet: ‘Maakt uw kind wel eens andere gebaren? Zo ja, welke?’ Is het antwoord positief, dan is de score M.

Deel dit met je netwerk