23. Bouwt brug na

fijne motoriek, adaptatie, persoonlijkheid en sociaal gedrag

Achtergronden

 

Ontwikkelingsveld

Fijne motoriek, adaptatie, persoonlijkheid en sociaal gedrag.
Neurologisch aspect

De coördinatie van schouder-­, arm-­, hand-­ en vingerbewegingen en de oog­handcoördinatie zijn zodanig ontwikkeld dat de bewegingen soepel kunnen worden uitgevoerd en dat bij het reiken naar een voorwerp de jukbewegingen in de schouders verdwenen zijn.

Psychologisch aspect

Het vereist een bepaald cognitief ontwikkelingsniveau van het kind om in plaats van op basis van ‘trial and error’ de opdracht met inzicht uit te voeren. Bovendien worden bij de uitvoering van de handeling van het kind coöperatie, concentratie en prestatiegerichtheid verlangd.
Dit kenmerk is geschikt om na te gaan of het kind een foute uitvoering analyseert (hoofdstuk 2).

   
Onderzoekleeftijd

 

Aanbevolen leeftijd

42 maanden (3,5 jaar).

Spreiding

40 -­ 48 maanden (171 -­ 208 weken).

   
Onderzoekmethode

 

Uitgangspositie kind

Het kind zit dichtbij en recht voor de tafel, al dan niet bij de ouder op schoot, zodanig dat het de voorwerpen op tafel gemakkelijk kan hanteren. De tafel moet zodanig opgeruimd zijn dat het kind niet wordt afgeleid.

Uitvoering onderzoek

De onderzoeker legt drie blokjes voor het kind neer en neemt zelf ook drie blokjes.Hij legt uit dat hij een brug gaat maken en dat het kind het daarna na moet doen.  De onderzoeker bouwt een brug van drie blokjes. Hij legt duidelijk uit en laat het kind goed zien hoe hij de brug maakt: “Kijk, ik maak een brug; hier een blok, daar een blok en één er bovenop”. Hij laat het voorbeeld staan en zegt tegen het kind ”Nu jij, probeer maar net zo’n brug te bouwen”.
Als het kind met 3 jaar nog jukbewegingen had (zie kenmerk 20) dan moet de onderzoeker één of twee blokjes, in het midden, iets verder weg leggen zodat hij kan observeren of het kind nog jukbewegingen maakt.
Als het kind geen ruimte open laat tussen de onderste twee blokjes mag de onderzoeker een aanwijzing geven: “Kijk eens goed. Is jouw brug net zo als die van mij?”. De onderzoeker mag niet wijzen naar de opening van de brug in het voorbeeld. Als het bouwen van de brug niet lukt mag de instructie één keer worden herhaald.

Observatie

De onderzoeker observeert of het kind drie blokken in de vorm van een brug stapelt. Als het kind naar de blokken reikt, observeert de onderzoeker of de schouders jukbewegingen maken.

Beoordeling

 

Positief

Het kind bouwt de brug na

of

het kind bouwt de brug in eerste instantie foutief na (hij laat geen opening tussen de onderste blokjes) en corrigeert dit nadat de onderzoeker de bovenstaande vraag heeft gesteld.

Negatief

Het kind bouwt de brug niet na

of

het kind bouwt de brug foutief na en corrigeert de fout niet nadat de onderzoeker het kind daarop heeft geattendeerd.

   
Registratie

+ Bij positieve respons.

- Bij negatieve respons.

Als jukbewegingen optreden, moet dit onder ‘opmerkingen’ worden geregistreerd. 

 Discipline

 Alle disciplines mogen alle onderzoeken doen.

Informatie over overleg / consultatie

Indien de DA het kenmerk uitvoert mag bij een negatieve score de JV geconsulteerd worden.

Indien de JV het kenmerk uitvoert moet bij een negatieve score de VS/JA geconsulteerd worden.

Ga na en noteer bij opmerkingen of het kind ervaring heeft met het spelen met blokjes en/of waarom het kind de opdracht niet wilt uitvoeren.

Advies 

Adviseer ouders over het spelen met hun kind en daarbij het bouwen te stimuleren. 
Alarmsymptoom

Trillerige motoriek, verwaarlozen van gebruik van één hand; op korte termijn consultatie van VS/JA.

   
Overweging

Aan de uitvoering van dit kenmerk zitten veel kwalitatieve aspecten vast, waardoor ook een positieve respons een signaalfunctie kan hebben. Bij een kind dat de brug pas correct bouwt na twee keer voordoen of na correctie zal men een andere afweging maken dan bij een kind dat de brug in één keer zonder extra voorbeeld, zonder correctie bouwt. Dit geldt des te meer als het kind op andere kenmerken negatief heeft gescoord.Het nog aanwezig zijn van jukbewegingen heeft als geïsoleerd verschijnsel geen consequenties. In samenhang met andere neurologische symptomen kunnen jukbewegingen wijzen op onrijpheid of disfunctie van het centrale zenuwstelsel.Verwaarlozen (in functioneel gebruik) van een arm of een hand is op elke leeftijd alarmerend (Touwen, 1992).Trillerige handmotoriek geldt na de leeftijd van één jaar als alarmerend (Touwen, 1992).‚Äč

Referenties

Bijlage 8, tabel 23.

Let op: Dit is een DIY-video voor ouders om hen te betrekken bij het onderzoek. En dient voor de professionals als audiovisuele ondersteuning bij de beschreven instructie.

Deel dit met je netwerk