De internetconsultatie over de reikwijdte van de Jeugdwet roept allerlei meningen op. Moet de wet smaller? Of juist breder? Moeten we scherper afbakenen wat onder jeugdhulp valt en wat niet? In dit blog geven Kim Houben en Mark Weghorst, adviseurs van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, hun reactie op deze discussie. In beleidsstukken, gesprekken en hervormingsagenda’s lijkt het bijna vanzelfsprekend dat het antwoord op de huidige problemen gezocht moet worden in het trekken van nieuwe grenzen. Maar wat als de reikwijdte helemaal niet het echte vraagstuk is?

In onze gesprekken op lokaal en nationaal niveau komen we steeds tot dezelfde conclusie. Dat blijkt onder meer uit de handreiking van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid over de rol van de jeugdgezondheidszorg in de hervormingsagenda ‘versterken van het gewone leven’. Ook in ‘naar nieuw jeugdbeleid’, opgesteld met de raadswerkgroep jeugdzorg van de gemeente Apeldoorn, zien we dit terug.
Wie denkt dat een andere afbakening van de Jeugdwet de structurele problemen oplost, vergist zich. De kern zit niet in wat wel of niet onder de wet valt. De kern zit in hoe wij preventie organiseren, hoe wij vakmanschap positioneren en hoe wij omgaan met structurele ongelijkheid in onze samenleving.
Reikwijdte als schijnoplossing
De roep om een smallere Jeugdwet komt voort uit begrijpelijke frustratie. De uitgaven stijgen. Wachtlijsten blijven bestaan. Professionals ervaren druk. Gemeenten worstelen met de uitvoerbaarheid. Het gaat niet beter met onze jeugd, terwijl de wet juist het tegenovergestelde beloofde.
Dan lijkt het logisch om te zeggen: laten we duidelijker definiëren wat wel en niet onder de Jeugdwet valt. Misschien horen ‘lichtere’ opvoedvragen er niet meer onder. Misschien moeten we scherper onderscheid maken tussen zorg en opvoedondersteuning. Maar wat verandert er werkelijk als we die grens verschuiven?
Hebben kinderen en gezinnen met complexe bestaansproblemen dan minder ondersteuning nodig? Verdwijnt armoede? Neemt de prestatiedruk onder jongeren af? En dalen mentale problemen? Worden professionals minder overvraagd? Of verplaatsen we het probleem simpelweg naar een ander loket, een ander budget, een andere regeling of een nieuwe plek in het stelsel?
Reikwijdte is bestuurlijk aantrekkelijk. Het suggereert grip. Het wekt de indruk dat we het systeem beheersbaar maken door definities aan te scherpen. Maar de werkelijkheid van gezinnen laat zich niet vangen in juridische kaders.
Generatiebewuste preventie is geen etiket
In plaats van te discussiëren over wat wel of niet onder de Jeugdwet valt, zouden we het moeten hebben over generatiebewuste preventie. Het begrip klinkt abstract, maar is in wezen heel concreet: investeren in rechtvaardigheid en een gezonde ontwikkeling van de volgende generatie, met aandacht voor de samenhang tussen gezondheid, onderwijs, bestaanszekerheid en de fysieke en sociale context.
Generatiebewuste preventie vraagt om continuïteit, nabijheid, elkaar kennen en met aandacht volgen. Het vraagt om het versterken van bestaande structuren, zoals de jeugdgezondheidszorg, in plaats van telkens nieuwe projecten en programma’s op te tuigen.
Wat zien we in de praktijk? We creëren stevige lokale teams waarin alle relevante expertise samenkomt, op zoek naar zingeving en betekenis, en dus ook naar werk. We leggen een resultaatverplichting op in het deel van het veld waar resultaten het minst meetbaar, maar het meest invoelbaar zijn. We plaatsen vakmensen in een systeem waarin zij enerzijds preventief moeten werken, maar anderzijds ook signaleren, doorverwijzen, registreren en voldoen aan steeds nieuwe beleidsprioriteiten. Zo overvragen we al die vakmensen, terwijl wij liever zouden zien dat zij zich op hun expertise richten.
Stevige lokale teams: het kan anders
De beleidsbelofte van die “stevige lokale teams” is enorm. In de opvolging van beleidsnotities over de afgelopen tientallen jaren is het telkens het volgende konijn. Deze teams zijn nabij, werken integraal, schakelen snel en voorkomen zwaardere zorg. Op papier klinkt het overtuigend.
Uit de geschiedenis weten we echter wat de evaluatie van deze teams vaak laat zien: ze staan te ver af van de werkelijkheid, werken langs elkaar heen en slecht samen, werpen nieuwe bureaucratische drempels op en de kosten stijgen. Dat laatste is niet vreemd: teams die continu reclame maken voor hun eigen hulpvaardigheid, creëren ook de vraag naar hulp.
Ook die evaluaties zijn steeds overtuigender (zie onder andere het CPB-onderzoek en het Mere-exposure-effect in de wereld van marketing).
De belofte van betere samenwerking zou wenkbrauwen moeten doen fronzen. We beloven elkaar dit immers telkens opnieuw bij elke update van elk beleidsplan (Boemerangbeleid, Stellaard 2023). Misschien zouden we juist minder moeten samenwerken, die samenwerking niet zo heilig moeten maken en de expertise van alle spelers in het veld beter moeten benutten.
De inspanning die het kost om over de grenzen van de eigen expertise heen te begrijpen wat de ander kan, zou daarmee worden bespaard. Je laat je vloer immers ook niet leggen door de schilder, of je brood bakken door de slager. Waar ontstond de gedachte in het sociaal domein dat we allemaal overal van moeten zijn?
Sociaal pedagogische basis als nieuw goud
In een poging om al die goedbedoelde professionals werk te bieden, wordt in beleidsteksten nu de sociaal pedagogische basis als nieuw werkveld voorgesteld. Het is goed om te weten dat ook zonder professionals zoiets als een sociaal pedagogische basis bestaat. Het is een passende naam voor het vanzelfsprekende samenspel tussen ouders en kinderen in gezinnen, gezinnen in buurten, met buren, vrienden en familie, waarbij niet per se een professional nodig is.
Dat verandert niet na de beslechting van de discussie over de reikwijdte van de Jeugdwet. Hoewel er flink wat professionals hun plek moeten vinden in deze sociaal pedagogische basis, maakt dat het veld daar nog niet ‘nodig’. Hoewel veel professionals hun plek moeten vinden in deze sociaal pedagogische basis, betekent dat niet dat ze daar daadwerkelijk nodig zijn. Door het veld te claimen en toe te eigenen ontstaat opnieuw een bestuurlijk gripmoment. Ook hier kunnen we de evaluatie al vast inkleuren. We weten immers al lang wat er gebeurt: het wordt niet goedkoper, de groei is onstuitbaar en waarschijnlijk worden er ook opmerkingen over de samenwerking gemaakt.
Vakmanschap onder druk
Vakmensen in de jeugdgezondheidszorg, in wijkteams en in het onderwijs beschikken over enorme kennis en ervaring. Zij zien dagelijks wat werkt en wat niet. Zij weten dat vertrouwen en echte aandacht tijd kost. Tijd die zich niet eenvoudig laat vangen in de spreadsheets van het middenkader. Middenkader dat op zoek is naar houvast in die spreadsheets. Dit zet het vakmanschap onder druk. Het leidt tot extra inspanning om in de wens tot grip te voorzien en gaat ten koste van kostbare tijd voor vertrouwen en aandacht.
Het systeem, en daarmee ook de discussie over de reikwijdte van de Jeugdwet, voedt zich nu met wantrouwen. We controleren, meten, herindiceren, herstructureren. We formuleren onmogelijke opdrachten: denk integraal, werk preventief, beperk kosten, lever maatwerk, voorkom escalatie, doe dit binnen strakke kaders en met beperkte middelen, richt je vooral op doelgroepen en tel die. We zetten vakmensen in een hok en verwachten dat zij daarbinnen de ruimte vinden om het verschil te maken.
Als we echt iets willen veranderen, moeten we investeren in het vakmanschap van professionals. Dat betekent: ruimte voor professionele oordeelsvorming, continuïteit in relaties en minder onnodige administratieve ballast. Bij elke registratie of administratieve handeling zouden we ons moeten afvragen: “Hoe helpt dit het gezin?”
Het betekent ook het duidelijk afbakenen van de verschillende noodzakelijke functies in het stelsel en een stop op het eindeloos aan elkaar knopen van verschillende professies. Bijvoorbeeld door de jeugdgezondheidszorg helder te positioneren als publieke, vrij toegankelijke voorziening met een eigen preventieve opdracht, en niet als verlengstuk van de jeugdhulp of als oplossing voor kostenstijgingen.
Wat te doen met de grootste ongelijkheid?
Wat in de discussie over reikwijdte vaak onderbelicht blijft, is dat de Jeugdwet weinig zegt over de groepen die de zwaarste lasten dragen van maatschappelijke ongelijkheid. Mensen met een laag opleidingsniveau, weinig inkomen en grote dagelijkse bestaansuitdagingen hebben formeel toegang tot jeugdhulp. Maar schieten zij er werkelijk iets mee op?
Wie elke maand moet puzzelen om rond te komen, wie kampt met schulden, onzeker werk, slechte huisvesting, heeft geen behoefte aan een herdefiniëring van jeugdhulp. Die heeft behoefte aan bestaanszekerheid.
Zolang we structurele armoede, onderwijsongelijkheid en arbeidsmarktproblematiek niet integraal aanpakken, blijft jeugdhulp dweilen met de kraan open. Dan kunnen we de reikwijdte van de Jeugdwet versmallen of verbreden, maar raken we de kern niet. Sterker nog: een smallere reikwijdte kan juist de ongelijkheid vergroten. Gezinnen met meer sociaal en cultureel kapitaal vinden hun weg wel naar alternatieve voorzieningen. Gezinnen die dat kapitaal missen, vallen nog eerder tussen wal en schip.
We kunnen armoededefinities kunstmatig aanpassen, maar lossen daarmee de dagelijkse werkelijkheid van vakmensen en de gezinnen waarvoor zij werken niet op. Het vergroot alleen het gevoel van niet begrepen worden.
Durven we de echte vragen te stellen?
Misschien moeten we onszelf een aantal ongemakkelijke vragen stellen. Waarom blijven we geloven dat systeemingrijpen het antwoord is op maatschappelijke problemen? Waarom denken we dat nieuwe definities meer effect hebben dan investeren in bestaande vakmensen? Waarom accepteren we de vermenging van diverse expertise, wetende dat vakmanschap daardoor versmalt en minder effectief wordt? Waarom praten we zo weinig over macht, ongelijkheid en structurele uitsluiting, terwijl we ons druk maken over juridische reikwijdte?
De hervormingsagenda Jeugd biedt kansen, maar alleen als we niet vervallen in technocratische oplossingen. Generatiebewuste preventie vraagt om een lange adem, om politieke moed en om vertrouwen in vakmanschap. Het vraagt om gezamenlijk vooruitstruikelen in de wetenschap dat iedereen zijn best doet. Het vraagt om het versterken van publieke voorzieningen die alle kinderen bereiken, en daarmee ook de kinderen met de zwaarste bestaansuitdagingen.
Reikwijdte is een onderdeel van het gesprek, maar het is niet het antwoord. De keuze is aan ons. Blijven we discussiëren over wat binnen of buiten de Jeugdwet valt? Of durven we te kiezen voor een fundamentele investering in vakmanschap, generatiebewuste preventie en bestaanszekerheid?
Vragen over deze blog? Neem dan contact op met Mark of Kim.