Nieuwsbericht

Contactpersoon:
Mark Weghorst adviseur
Telefoon: 06 - 25 39 01 13
E-mail: mweghorst@ncj.nl

Gelijke kansen en de eindtoets basisonderwijs

maandag 23 maart 2020

Deze week kwam het bericht vanuit het ministerie dat leerlingen in groep 8 dit jaar geen eindtoets gaan maken. Dat is, gezien de COVID-19-situatie begrijpelijk en voorstelbaar. Het neemt druk weg bij kinderen, bij scholen en leerkrachten en zorgt voor een beetje ontspanning. Het roept meteen ook vragen op: hoe gaat dat met de kinderen die belang hebben bij de eindtoets? Omdat de eindtoets een objectief gegeven is en de mogelijkheid geeft om een schooladvies te heroverwegen en naar boven bij te stellen? Welke kinderen zou het weghalen van de eindtoets treffen?

De geste om het onderwijs ruimte te bieden zou wat ons betreft ook voor de leerlingen mogen gelden. Dat is in de kern de aanpak die we voorstaan: daar waar normaal in juni de scherprechter langskomt, omdat het nou eenmaal zomervakantie (2020) wordt zouden we die zomervakantie-scherprechter niet eerder dan in 2021 willen toestaan. Dat geeft aan iedere speler in het veld (VO-PO, maar ook ouders en leerlingen) iets meer ademruimte en de mogelijkheid om het hele komende jaar kansen te pakken.
Zou het mogelijk zijn om:

  • Leerlingen waar dat voor gevraagd wordt hoger dan het schooladvies te laten instromen. Mochten ouders/leerlingen op een hoger niveau willen instromen dan zij op grond van hun schooladvies kunnen dan zou, vanwege het ontbreken van het objectieve gegeven en de bijzondere situaties (COVID-19) eenmalig een uitzondering gemaakt kunnen worden.
  • Leerlingen die in het VO op een hoger niveau terechtkomen dan hun schooladvies zouden, gezien de bijzondere situatie niet moeten meetellen in de beoordeling van de VO-scholen (hoe goed doen de kinderen het drie jaar na de basisschool). Omdat we een bijzonder cohort krijgen (kinderen in groep 8 die de COVID-19-crisis meemaken) is het wenselijk om hier ruimte en aandacht voor te hebben. 
  • Bij deze actie zou gericht op de gebieden waar onderadvisering meer dan normaal voorkomt een extra inspanning gedaan kunnen worden, om te voorkomen dat door deze begrijpelijke maatregel kinderen (nog) verder achterop raken. 

Er zijn een aantal argumenten om hiervoor te kiezen:
A. Zoals bekend hebben alle mensen impliciete associaties. Harvard University doet hier al jarenlang wereldwijd onderzoek naar en heeft dit goed in beeld gebracht. De impliciete associaties maken dat mensen onbedoeld associaties hebben bij bepaalde namen, bepaald uiterlijk, mannen/vrouwen, etc. Het is niet dat zij bewust onderscheid willen maken tussen verschillende kinderen, zij lijken het niet te kunnen nalaten. Eigenlijk werd dit met de instelling van de eindtoets al erkend: het blijkt lastig te zijn om kinderen los van hun (sociale) context objectief te kunnen beoordelen. 
B. Sinds de instelling van de eindtoets op een later moment dan het schooladvies is goed bij te houden hoe dit uitwerkt in de uiteindelijke adviezen. Via DUO zijn die cijfers goed beschikbaar en is eenvoudig te bekijken hoe het met de schooladviezen en de heroverwegingen op basis van een hogere eindtoets gaat. Hiernaast de situatie van vorig schooljaar (bron DUO, zie bijlage, op basis van 170.940 leerlingen in groep 8). Wat opvalt is dat in slechts 26% (44239 leerlingen) van de gevallen het schooladvies gelijk is aan het advies op basis van de eindtoets. De restgroep is ongeveer gelijk verdeeld in over-(32%; 55095 leerlingen) en onderadvisering (42%; 71129 leerlingen). In 2019 werd in 24% (17347) van de gevallen van onder-advisering het schooladvies na heroverweging bijgesteld. Bij een ongeveer gelijkblijvend beeld zou dit kunnen betekenen dat ruim 70000 kinderen ondergeadviseerd richting het voortgezet onderwijs gaan en dat hier geen heroverweging op plaats kan vinden. 
C. Het NRO deed onderzoek naar de consequenties van over- en onderadvisering. De consequenties van onderadvisering zijn groot en zijn helder beschreven in het aangehaalde onderzoek: “Onderadvisering zorgt voor een blijvende achterstand binnen het voortgezet onderwijs. Deze leerlingen presteren ondermaats in het voortgezet onderwijs en hun talenten en competenties blijven onderbenut. Onderadvisering heeft daarom ten dele het karakter van een self-fulfilling prophecy. Een te laag schooladvies zorgt ervoor dat leerlingen zich daarnaar gaan gedragen.”
D. We weten ook in welke gebieden onevenredig veel onderadvisering plaatsvindt. Dankzij RTL-Nieuws die met de open onderwijsdata overzichten levert hebben we goed zicht op de lokalisatie van over- en onderadvisering op gemeentelijk niveau.  In de donkerste gebieden is het vaakst (tot meer dan 80% van de leerlingen) sprake van onderadvisering. Deze gebieden kennen we, vanuit preventieoogpunt al als investeringsgebieden: er zijn meer problemen op meerdere terreinen en een integrale aanpak is gewenst. Vergelijkbare kaartjes van jeugdzorggebruik, laaggeletterdheid, werkloosheid geeft een vergelijkbaar beeld. Dit weten betekent dat er ook verschil gemaakt (mag en) kan worden.

We weten dus wat er gebeurt (op basis van drie jaar eindtoets-ervaring en kennis van menselijk gedrag), we weten waar het (vooral) gebeurt en we kennen de consequenties voor de kinderen die het betreft. De vraag is nu of we hier iets in willen en kunnen bijsturen.

Mark Weghorst/Peter Hulsen, maart 2020, NCJ