Nieuwsbericht

Contactpersoon:
Yvonne Vanneste adviseur
Telefoon: 06 - 83 77 83 91
E-mail: yvanneste@ncj.nl

Lessons learned: de succesfactoren van promoveren door jeugdartsen

woensdag 30 oktober 2019

Het is van groot belang dat jeugdartsen zelf promotieonderzoek doen. Het vergroot de kwaliteit en wetenschappelijke onderbouwing van de jeugdgezondheidszorg (JGZ)-uitvoeringspraktijk, en versterkt de toepasbaarheid van de onderzoeksresultaten. Dit bericht is gebaseerd op een bijeenkomst van de Wetenschappelijke Adviescommissie (WAC) van het NCJ in voorjaar 2019. De leden van de WAC NCJ hebben gezamenlijk geïnventariseerd wat de succesfactoren zijn voor het laten slagen van een promotieonderzoek door de jeugdarts, werkzaam in het JGZ-veld.

De volgende succesfactoren worden door hen herkend:

  1. Financiering: financiering van ten minste een deel van de onderzoekstijd, bijvoorbeeld door het koppelen van een promotieonderzoek aan een ZonMw-project, is misschien wel de belangrijkste succesfactor. Dit bevordert tevens het projectmatig werken, de tweede succesfactor.
  2. Projectmatig werken: een heldere projectstructuur, inclusief teamsamenstelling en een opleidings- en promotieplan bij de start van het promotietraject, inclusief een heldere taakomschrijving, wederzijdse afstemming van verwachtingen en periodieke afstemming op managementniveau tussen de academische begeleider(s) en de primaire werkplek (hoogleraar met leidinggevende van de jeugdarts) zijn ondersteunend aan het succesvol afronden van een promotieonderzoek.
  3. Beschikbaarheid onderzoeksbegeleider: de beschikbaarheid van een dagelijkse onderzoeksbegeleider op de primaire werkplek, dichtbij en kundig.
  4. Proeftijd: Het instellen van een proeftijd van 1 tot 1,5 jaar, waarna er een product (artikel) moet liggen; dit blijkt het daadwerkelijk afronden van een promotieonderzoek te bevorderen.
  5. Aansluiting bij interesse: Een onderzoeksvoorstel dat goed aansluit op de praktijk en de eigen interesse van de jeugdarts. Het is wenselijk de jeugdarts vanaf het begin mee te nemen en te betrekken bij het opzetten van het onderzoek.
  6. Beschikbaarheid van de data: eigen dataverzameling vraagt veel tijd en bemoeilijkt aanzienlijk het promotieonderzoek. Onderzoek doen met (deels) reeds bestaande data heeft sterk de voorkeur.
  7. Inbedding in de veldorganisatie: Het is van groot belang dat de jeugdarts-onderzoeker de verbinding met het werkveld houdt, en tevens erkend wordt vanuit de eigen organisatie. De meerwaarde van promoveren wordt niet altijd gezien door het werkveld. Erkenning is een belangrijke incentive voor de jeugdarts.
  8. Start van een promotieonderzoek met een eerste artikel: bij de start duidelijk hebben dat het een promotieonderzoek betreft kan stimuleren, maar kan ook verlammen. Voor sommige jeugdartsen lijkt een geleidelijk traject beter te werken, waarbij begonnen wordt met het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en een eerste publicatie, zonder direct te spreken over een promotietraject. Dit kan jeugdartsen enthousiasmeren en over de streep trekken om later wel te beginnen met promotieonderzoek. De wetenschappelijke stage tijdens de tweede fase opleiding arts M&G kan hiertoe dienen. Van belang is dan wel dat de begeleiding hierbij van goede kwaliteit is en dat er vanaf het begin een goede verbinding is met de Universitaire Centra en Academische Werkplaatsen.
  9. Persoonlijke vaardigheden: een aantal vaardigheden van de jeugdarts zoals time-management, communicatieve vaardigheden en samenwerken in een team zijn van groot belang.

Graag vernemen wij van jeugdartsen of deze succesfactoren herkenbaar zijn voor hen en of zij nog aanvullingen hierop hebben. Je kunt hiervoor contact opnemen met NCJ-adviseur en ambtelijk secretaris van de WAC Yvonne Vanneste via yvanneste@ncj.nl