Richtlijn: Preventie wiegendood (2009, Landelijke Samenwerkingsafspraken 2017)

5. Gerelateerde onderwerpen

ALTE
ALTE (‘apparent life threatening event’) is een ogenschijnlijk levensbedreigende situatie bij een tevoren gezonde zuigeling, die plotseling en onverwacht bleek en slap, soms blauw, niet-ademend wordt aangetroffen en die na reanimatie of krachtige stimulatie weer spoedig bijkomt, waarbij de hevig geschrokken ouders of verzorgers de stellige indruk hebben dat het kind zou zijn overleden als zij niet hadden ingegrepen. De prevalentie van ALTE bedraagt 0,6 / 1000 levendgeborenen (Kurz 1997). In de voorgeschiedenis van wiegendood komt ALTE in 5-10 % van de gevallen voor; dat is een ongeveer 100-voudige frequentie vergeleken met de algemene bevolking. In het ECAS onderzoek was bij een ALTE in de voorgeschiedenis de kans op wiegendood significant verhoogd (multivariate OR 2.76; 95 % CI 1.76-4.32). De risicofactoren, die aanleiding tot een ALTE kunnen geven, zijn deels dezelfde als die voor wiegendood gelden. Men heeft dan ook de oorzaak van ALTE en wiegendood in dezelfde richting gezocht (McNamara 2000). Wanneer in een gezin zich een geval van ALTE heeft voorgedaan, verdient het aanbeveling om ook de algemene voorzorgen tegen wiegendood met de ouders te bespreken. Anderzijds zijn er epidemiologische verschillen tussen SIDS en ALTE, die pleiten tegen een gemeenschappelijke pathogenese ( zie “Richtlijn Apparent Life Threatening Event” dd 30-8-2006 van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde).

Vaccinaties
Er is veel onderzoek gedaan naar een mogelijke samenhang tussen het inenten van zuigelingen en het optreden van wiegendood. In een grote case-control studie in Engeland is vastgesteld dat immunisatie – na correctie voor bekende risicofactoren – geen risicofactor is voor wiegendood (gecorrigeerde OR 0.67; 95 % CI 0.31-1.43; Fleming 2001).

Plagiocefalie
Sinds het advies werd gegeven om zuigelingen in rugligging te slapen te leggen ter voorkoming van wiegendood is een toename geconstateerd van het voorkomen van non-synostotische plagiocefalie (Boere-Boonekamp 2001). Bij de geboorte bestaat soms al een eenzijdige afplatting van het achterhoofd. Deze schedelasymmetrie bij de geboorte blijkt geen voorspeller te zijn voor het bestaan van een schedelasymmetrie op latere leeftijd (van Vlimmeren 2007). De schedelasymmetrie, die na de geboorte ontstaat, wordt voornamelijk veroorzaakt door een voorkeurshouding ten gevolge van eenzijdige verzorgings- en voedingsgewoonten, door eenzijdige houding van het hoofd tijdens slapen en door te weinig actieve buikligging onder toezicht tijdens wakker zijn. Er is geen significante relatie tussen het op de rug te slapen leggen en plagiocefalie aangetoond; maar in combinatie met voorkeurshouding en tragere motorische ontwikkeling zoals door te weinig oefening in buikligging wordt het een risicofactor (van Vlimmeren 2007). Ter preventie van plagiocefalie wordt daarom tegenwoordig geadviseerd om tijdens de slaap in rugligging wisselligging van het hoofd toe te passen, tijdens de verzorging van het kind eenzijdige posities te vermijden en het kind, wanneer het wakker is, regelmatig onder toezicht op de buik te laten spelen (American Academy of Pediatrics 2005).

Fixatiemateriaal
Er zijn diverse materialen in de handel, die aangeprezen worden om te voorkomen dat de baby tijdens de slaap vanuit rugligging naar de buik draait. Van geen van deze materialen is de effectiviteit en de veiligheid in het gebruik grondig onderzocht!

Met sommige fixatiemiddelen, zoals riemen, zijn dodelijke ongelukken gebeurd, omdat er geen goede gebruiksaanwijzing werd verstrekt en/of omdat ze niet goed werden toegepast. Een enquête in de provincie Friesland in 2003 toonde aan dat fixatie vaak te lang en heel vaak op onveilige manier wordt toegepast (Baan 2003). Deze materialen worden daarom afgeraden voor algemeen gebruik. Alleen in bijzondere omstandigheden en met goede begeleiding is op dringend verzoek van de ouders toepassing van fixatie te overwegen. Daarbij kan worden gedacht aan zeer bezorgde ouders, die al eerder getroffen zijn door een wiegendoodbaby of aan de situatie nadat zich een ALTE (“apparent life threatening event”) bij de baby heeft voorgedaan. Tot nu toe lijkt een aan de leeftijd aangepaste Safe-T- Sleep, inmiddels voorzien van de extra fixatie tussen de benen van de baby, met goede instructie voor het gebruik een aanvaardbare voorziening, mits slechts toegepast totdat de baby zich zelf vlot kan omdraaien. De Prenatal-slaapzak met riem is inmiddels uit de handel genomen wegens verkeerd gebruik met dodelijke afloop. Fixatiemiddelen worden beschouwd als voorzieningen voor uitzonderingsgevallen. Zij dienen ook niet te worden gebruikt om te voorkomen dat het kind zelf uit zijn bed klimt. Zolang geen goed wetenschappelijk onderzoek is verricht naar de effectiviteit en veiligheid van deze voorzieningen worden ze afgeraden.

Huilbaby’s / Inbakeren
In het Nederlands onderzoek van september 1996 tot september 2001 was bij 50 % van de wiegendoodkinderen, bij wie primaire buikligging was toegepast, excessief huilen de reden. Het betrof baby’s, die meer dan drie uur per dag op meer dan drie dagen per week en gedurende meer dan 3 weken huilden. Uiteraard wordt buikligging bij huilbaby’s tegenwoordig sterk afgeraden. Als alternatief is inbakeren weer populair geworden omdat hiervan een kalmerend effect wordt verwacht. De resultaten van een gerandomiseerd klinisch onderzoek naar het effect van een behandelmethode, gekenmerkt door toepassing van regelmaat en prikkelreductie in vergelijking met een combinatie van deze methode met inbakeren laten zien dat inbakeren geen voordelen biedt boven de toepassing van rust en regelmaat. Alleen in de eerste week gaf inbakeren een direct effect te zien (van Sleuwen 2006). Het effect van inbakeren berust waarschijnlijk niet op een verhoging van de “arousal”drempel voor geluiden (Franco 2005). Op het risico van warmte-stress door inbakeren en daardoor verhoogde kans op wiegendood dient men verdacht te zijn. Het risico van wiegendood is bij de combinatie van inbakeren en buikligging zeer groot; zodra de baby pogingen doet om zich om te rollen moet het inbakeren dus onmiddellijk worden gestopt (Ponsonby 1993; van Sleuwen 2007).


Pagina als PDF