Richtlijn: Opvoedondersteuning (2013)

Onderbouwing

Uitgangsvraag

Welke definitie, doelen en functies van opvoedingsondersteuning en welke definitie van opvoedingsproblemen bij kinderen van 0 tot 19 jaar worden in de richtlijn gehanteerd?

Wat is opvoeden?

Opvoeding komt tot uitdrukking in de alledaagse opvoedingspraktijk. Een belangrijk onderscheid is dat tussen functionele en intentionele opvoeding, ofwel impliciete of expliciete sturing van het opvoedingsproces (Schoorl, 1993). Het eerste betreft de dagelijkse omgang tussen ouders en kinderen, de huis-tuin-en-keukendingen, de intuïtieve en vanzelfsprekende manier waarop ouders op het gedrag van kinderen reageren. Onbewust fungeren ouders daarmee als een belangrijk rolmodel voor hun kinderen. Bij de intentionele opvoeding gaat het om een meer nadrukkelijke vorm van sturing. Het optreden van ouders is er dan bewust op gericht het gedrag van kinderen te beïnvloeden of de kinderlijke ontwikkeling te stimuleren in een bepaalde richting. Opvoeden is een proces waarbij de ouderlijke verantwoordelijkheid en zorg geleidelijk afnemen, met als uiteindelijk resultaat een jeugdige volwassene die zelfregulerend en zelfstandig kan functioneren. Opvoeding is een specifieke vorm van interactie tussen ouders en kinderen, waarbij gewoonten, vaardigheden en inzichten worden overgedragen die het kind in staat stellen een eigen identiteit te ontwikkelen en adequaat te functioneren in de maatschappij. Hoe die interactie of opvoeding eruit moet zien is een belangrijk punt van discussie. Het gaat dan om de kwaliteit van de relatie tussen ouders en kinderen en de manier waarop ouders hun kind sturen en beïnvloeden (Blokland, 2010).

Manieren van opvoeden
Vanuit socialisatietheorieën wordt het evenwicht tussen ondersteunen en structureren als belangrijk kenmerk genoemd om een opvoedingssituatie te kunnen beoordelen (Maccoby, 1994). Dat zijn de twee pijlers die de kwaliteit van de opvoeding bepalen. Bij de eerste pijler gaat het om de affectieve band tussen ouders en kinderen, de mate waarin ouders betrokken zijn, de emotionele ondersteuning die zij hun kind bieden en de ruimte die zij bieden om eigen initiatieven te ontplooien. De tweede pijler betreft het belang van het bieden van structuur en houvast en de noodzaak om ongewenst gedrag tijdig te corrigeren. Het gaat dan om het stellen van regels en grenzen aan het gedrag van kinderen en het toezicht houden op wat ze doen. Belangrijk is dat ouders grenzen stellen op een manier die effectief is en kinderen geen schade berokkent (Blokland, 2010).

Opvoedstijlen
In de opvoeding ontwikkelen ouders na verloop van tijd een vast patroon, een kenmerkende manier van reageren op het gedrag van hun kind in uiteenlopende situaties. Vanuit de theorie kunnen we verschillende opvoedingsstijlen onderscheiden die als meer of minder gunstig worden beschouwd voor de kinderlijke ontwikkeling (Maccoby, 1994). De manier waarop ouders opvoeden, varieert in de mate waarin zij controle uitoefenen en hun kinderen emotioneel en affectief ondersteunen. Op grond daarvan zijn vier opvoedstijlen te onderscheiden. Ze worden gekenmerkt door de mate van controle en betrokkenheid (tabel 1).

Tabel 1. Opvoedstijlen op basis van controle en betrokkenheid.

 

Betrokkenheid

Controle

 

 

Laag

Hoog

Hoog

autoritair

democratisch (autoritatief, gezaghebbend)

Laag

verwaarlozend

toegeeflijk (permissief)

De democratische opvoedingsstijl lijkt het meest wenselijk voor het aanleren van een gezonde leefstijl. Deze opvoeding wordt gekarakteriseerd door een hoge mate van ouderlijke verzorging, betrokkenheid, gevoeligheid, overleg op basis van redeneren, controle en stimulering van de autonomie van jongeren. Deze opvoedstijl leidt tot competente, onafhankelijke kinderen met een hoog gevoel van eigenwaarde en een hoog ontwikkeld gevoel van sociale verantwoordelijkheid. Daarmee krijgen kinderen de meeste kansen om goede ‘levensvaardigheden’ te ontwikkelen (Blokland, 2010).

Opvoedingsproces
Opvoeding kan worden gezien als een transactioneel proces, waarin ouders en kinderen elkaar wederzijds beïnvloeden in relatie met de specifieke omgeving van het gezin (figuur 1).
Zowel kindfactoren als ouderfactoren als omgevingsfactoren hebben invloed op dit proces. Niet zelden zullen er factoren zijn die de opvoeding kunnen bedreigen; deze kunnen hun oorsprong vinden in het kind zelf, de ouder(s) of de omgeving. Dergelijke factoren (risicofactoren) maken het leven complex en vragen derhalve extra energie om de opvoeding toch op het goede spoor te houden. Factoren in het kind, de ouder(s) of de omgeving die de opvoeding daarentegen goed laten verlopen, zijn beschermende (protectieve) factoren.
Het balansmodel (Bakker e.a., 1998) brengt de beschermende en de risicofactoren in kaart (zie figuur 1).

Om zinvolle uitspraken te kunnen doen over de invloed van risicofactoren en beschermende factoren, moet onderscheid worden gemaakt tussen factoren op micro-, meso- en macroniveau. Op het microniveau gaat het om ouder-, kind- en gezinsfactoren. Eigenschappen van de ouder(s), het kind en het gezinssysteem (opvoeding en gezinsinteracties) staan hier centraal.
Op het mesoniveau worden sociale factoren, gezins- en buurtfactoren onderscheiden. Hierbij kan worden gedacht aan het sociale netwerk, sociale bindingen (bijvoorbeeld de school) en de kwaliteit van de buurt (sociale buurtcohesie). In het algemeen kunnen deze factoren als steunend beschouwd worden.

Op het macroniveau ten slotte bevinden zich de maatschappelijke achtergrondfactoren. De culturele achtergrond en sociaal-economische positie (opleiding, werk, inkomen enz.) spelen hier een rol. Het gaat hier dus om maatschappelijke en culturele condities die het gezinsleven bepalen. Sociale steun is hierbij een belangrijke beschermende factor. Sociale en maatschappelijke omgevingsfactoren hebben een sterke invloed op condities waarbinnen de opvoeding plaatsvindt. Het balansmodel geeft dit samenspel op alle drie de niveaus weer (Bakker e.a., 1998).

Figuur 1. Balansmodel (Bakker e.a., 1998). © NIZW

De aanwezigheid van een enkele risicofactor zal weinig invloed hebben op de kwaliteit van de opvoeding en ontwikkeling van kinderen. Ieder individu krijgt immers te maken met bepaalde risicofactoren en beschermende factoren, die onderling op elkaar inwerken. Er ontstaan problemen als de risicofactoren zich opstapelen (cumuleren) en de beschermende factoren niet. Hoewel het in alle milieus voorkomt dat problemen zich opstapelen, is er een samenhang tussen (zwakke) maatschappelijke positie en risicocumulatie. Onderzoeken naar risicofactoren laten zien dat, gemiddeld genomen, het aantal risicofactoren een grotere voorspellende waarde heeft voor het slagen of mislukken van de opvoeding dan de zwaarte van specifieke (risico)factoren. De veronderstelling is dat als men een goed zicht heeft op de risicofactoren in een concrete situatie, problemen kunnen worden voorspeld. Dit geldt echter niet zonder meer: risicofactoren zijn op zich geen goede voorspellers van problemen.
Risicofactoren hebben vooral een negatief effect als ze cumuleren. Naarmate het aantal problemen en stressfactoren toeneemt, neemt de draagkracht van ouders om deze problemen zelf aan te kunnen evenredig af. Hierop zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld in geval van ernstig lichamelijk en/of psychisch disfunctioneren.
Gezinnen met meervoudige risicofactoren zijn op de drie verschillende niveaus bijzonder kwetsbaar en lopen extra kans op opvoedings- of ontwikkelingsproblemen. De verschillende factoren kunnen elkaar in principe versterken of verzwakken. Zo is uit onderzoek gebleken dat de invloed van risicofactoren gereduceerd kan worden indien er sprake is van beschermende factoren in de omgeving van het kind (Bakker, 1998; Hermanns c.s., 2005). De meest beschermende factor is in dit verband de sociale steun. Een risicofactor op het ene niveau hoeft niet noodzakelijk door een beschermende factor op hetzelfde niveau te worden gecompenseerd: beschermende factoren op het macroniveau kunnen bijvoorbeeld tegenwicht bieden tegen bedreigende factoren op mesoniveau. Een cumulatie van risicofactoren moet worden gecompenseerd door een cumulatie van beschermende factoren.
Om de wisselwerking tussen beschermende en risicofactoren, tussen individuele ontwikkeling en sociale omgeving en tussen de verschillende socialisatiemilieus in kaart te brengen, kunnen de begrippen draagkracht en draaglast worden gebruikt. Draagkracht is het geheel van competenties en beschermende factoren waarmee ouders en kinderen de draaglast het hoofd bieden. Draaglast is het geheel van taken dat ouders en kinderen te vervullen hebben (voorzien in de primaire levensbehoeften en materiële behoeften, huishoudelijke en maatschappelijke taken, opvoeding enz.) De verhouding tussen draagkracht en draaglast bepaalt of ouders de opvoeding daadwerkelijk ‘aankunnen’ (Bakker e.a., 1998).

Opvoedingsopgaven
De wisselwerking van kind-, ouder- en omgevingsfactoren grijpt in op het ontwikkelingsproces dat kinderen doormaken. In de kinderlijke ontwikkeling is een opgaande lijn te constateren naar een steeds hoger niveau van functioneren. Er zijn daarbij verschillende ontwikkelingsfasen te onderscheiden. Kinderen worden in hun ontwikkelingsproces steeds met nieuwe ontwikkelingsopgaven geconfronteerd. De ontwikkeling die kinderen doormaken, vraagt steeds ook om aanpassing van ouders in de vorm van ander opvoedingsgedrag. In elke ontwikkelingsfase moeten ouders afstemmen op wat hun kind kan of nog moet leren.

Dat vraagt om enig inzicht in de kinderlijke ontwikkeling en om vaardigheden om met kinderen om te gaan. Complementair aan ontwikkelingsopgaven kunnen we voor ouders in elke periode ook specifieke opvoedingsopgaven benoemen (tabel 2).

Tabel 2. Ontwikkelingsopgaven en opvoedingsopgaven.

Periode

Ontwikkelingsopgaven

Opvoedingsopgaven

Baby

Lichaamsbeheersing 
Veilige hechting
Dag-nachtritme ontwikkelen

Soepele verzorging
Responsiviteit
Voorspelbare omgeving

Dreumes/peuter


Exploratief spel
Autonomieontwikkeling
Uitdrukken door taal
Grenzen accepteren

Veiligheid in huis bewaken
Emotionele basis bieden
Regels introduceren
Praten/benoemen
Taal- en spelstimulering

Schoolkind

Sociale vaardigheden
Omgang met leeftijdgenoten
Positief zelfbeeld
Actieve leerhouding
Schoolse vaardigheden
Moreel besef
Zelfredzaamheid

Positieve stimulans
Omgang met leeftijdgenoten bevorderen
Sociaal gedrag stimuleren
Onderwijsondersteunend gedrag
Uitleg en instructie
Eigen taken geven

Puber

Emotionele zelfstandigheid
Omgang met andere sekse
Seksuele identiteit
Eigen waardensysteem
School- en beroepskeuze
Probleem oplossen

Enige tolerantie voor experimenten
Toezicht houden
Emotionele steun bieden
Leeftijdsadequate grenzen stellen

De meeste ouders – als de eerst verantwoordelijken voor het opvoeden van hun kind of kinderen – leren het opvoeden met vallen en opstaan en groeien met hun kind mee. Wanneer ouders erin slagen de verschillende opvoedingsopgaven zonder grote problemen te volbrengen, breiden hun vaardigheden zich uit en ontwikkelen zij vertrouwen in zichzelf als opvoeder. Soms loopt de aanpassing aan nieuwe situaties minder soepel en hebben ouders er moeite mee om goed in te schatten wat zij wel of niet van hun kind kunnen verwachten (McGillicuddy-De Lisi en Sigel, 2002). Ouders zijn daar meer onzeker over bij hun eerste kind.

Wat is opvoedingsondersteuning?

Opvoeden gaat gepaard met onzekerheid, vragen, twijfels en zorgen en soms met problemen. Die onzekerheden horen bij het ‘gewone, dagelijkse opvoeden’, dat toch meestal vanzelf wel goed gaat (Hermanns, 2010). Alle ouders hebben weleens vragen of zorgen over de opvoeding van hun kinderen. Meestal biedt een gesprek met andere ouders, vrienden of familie voldoende uitkomst. Sociale steun is dan ook een belangrijke, informele vorm van opvoedingsondersteuning (Barendrecht c.s., 2008; Van Egten c.s., 2008). Migrantenouders hebben soms minder sociale steun doordat familie en vrienden in het land van herkomst wonen. Een grote groep ouders wil met professionals praten over dingen die hen bezighoudt in de opvoeding zonder dat ze een expliciete vraag hebben. Aangezien veel ouders (soms) behoefte hebben aan steun (Rispens c.s., 1996; Bertrand c.s., 2001; Berens, 2004; Zeijl c.s., 2005; Tan c.s., 2008; Van Egten c.s., 2008), sommige kinderen begeleiding behoeven en het grootbrengen van kinderen een maatschappelijke taak is (ministerie voor Jeugd en Gezin, 2007), dient er naast de informele steun voor alle ouders formele opvoedingsondersteuning beschikbaar te zijn: een luisterend oor of een goed gesprek, informatie over opvoeden, oudercursussen, pedagogisch advies en pedagogische hulp, maar ook een stimulerende pedagogische omgeving. De Rechten van het Kind (artikel 18) leggen die ondersteuning van ouders als verplichting van de overheid vast.

Opvoedingsondersteuning wordt uitgevoerd door diverse professionals en in verschillende voorzieningen, waarvan de jeugdgezondheidszorg er een is. Opvoedingsondersteuning gaat om ‘opvoeders helpen opvoeden’ (Hermanns, 1992). Vaak zijn ouders als zij worden gestimuleerd om op hun eigen vaardigheden te vertrouwen of wanneer ze een eenmalig, goed advies krijgen voldoende toegerust om de situatie verder zelf ‘aan te kunnen’ (Rappaport en Seidman, 2000; Hermanns, 2009; Blokland, 2010). Bij migrantenouders is het daarbij van belang dat zij opvoedingsstijlen vanuit het land van herkomst en de opvoedingsstijlen in Nederland leren combineren, daarbij gebruikmakend van het goede van twee culturen. Daarmee krijgt opvoedingsondersteuning een preventieve functie: langs de weg van empowerment en adequate advisering kunnen ernstige opvoed- en gezinsproblemen worden voorkomen. Soms is meer ondersteuning nodig. Dan kunnen opvoeders geholpen worden met effectieve programma’s, bijvoorbeeld met videohometraining, Triple P of Home-Start (Prinsen en Junger, 2007).
Opvoedingsondersteuning vanuit de jeugdgezondheidszorg (JGZ) en het CJG richt zich op dagelijkse opvoedingsvragen en de basale opvoedingsvaardigheden van ouders, te beginnen bij aanstaande ouders en doorlopend tot de ouders van pubers en adolescenten. Daarnaast richt opvoedingsondersteuning zich ook op het signaleren van zorgwekkende opvoedings- situaties (Hirasing c.s., 2010). Uiteindelijk doel is ouders te ondersteunen bij ‘het gewone opvoeden’, beginnende problemen te signaleren en te interveniëren (Hermanns c.s., 2005). Met haar grote bereik kan de JGZ samen met haar CJG-partners met name in de leeftijdsperiode tot 12 jaar een belangrijke rol spelen bij het voorkomen van opvoedingsproblemen, het vroegtijdig signaleren van opvoedingsproblemen en het bieden van interventies bij lichte opvoedproblematiek.

Definities

Het begrip ‘opvoedingsondersteuning’ is een verzamelterm (Janssens, 1998). De brede omschrijving richt zich op alle opvoeders – ouders en ‘medeopvoeders’ als leidsters en leerkrachten – en op de pedagogische context waarin kinderen opgroeien: de leefomgeving.
In deze richtlijn staan de ouders centraal: zij zijn doorgaans de belangrijkste opvoeders van hun kinderen. Men zou ook kunnen spreken van ouderondersteuning. In deze richtlijn verstaan we onder opvoedingsondersteuning: het ondersteunen van vaders en moeders (1) bij de opvoeding om een optimale ontwikkeling van kinderen te bevorderen. Dit is vergelijkbaar met wat de Engelsen parenting support of parenting education noemen en de Duitsers Elternbildung of Elternberatung (www.nji.nl/opvoedingsondersteuning).

Het is een verkorte vorm van de omschrijving van opvoedingsondersteuning uit de Jeugdthesaurus: ‘Opvoedingsondersteuning is voorlichting, advies en hulp aan ouders en opvoeders bij opvoedingsvragen en -problemen ter voorkoming van problemen in de opvoeding en/of ontwikkeling van kinderen of om deze problemen op te lossen en ter versterking van de draagkracht en competenties van ouders en opvoeders; uitgevoerd door onder meer de jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg, welzijnsinstellingen, kinderopvang en onderwijs.’ Dit sluit aan op de theoretisch gefundeerde begripsomschrijving van Vandenmeulebroecke c.s. (2004): ‘Opvoedingsondersteuning is op intentionele wijze steun bieden aan ouders (c.q. ouderfiguren) bij hun opdracht en taak als opvoeders.’ Die omschrijving berust op de veronderstelling dat de volgende uitgangspunten voor alle ouders en elke gezinsvorm gelden:

  • De erkenning van het belang van de gezinsopvoeding (de opvoeding in gezinsverband) voor kinderen, volwassenen en samenleving. Opvoeden is een natuurlijk, vanzelfsprekend en dynamisch proces waarbij ouders en kinderen elkaar beïnvloeden (Bakker e.a., 1997).
  • De erkenning van de pedagogische verantwoordelijkheid, het verlangen en de bekwaamheid van ouders om de relatie met hun kinderen op een verantwoorde wijze vorm te geven.
  • De erkenning dat ouders bij het gewone opvoeden vragen en onzekerheden kunnen ervaren en het recht hebben om indien nodig hiervoor steun te ontvangen (artikel 18 Rechten van het Kind). Opvoeden kan gezien worden als leerproces. Het grootbrengen van het kind leren ouders in de dagelijkse praktijk. Het hebben van vragen, onzekerheid en faalervaringen horen daarbij.
  • De erkenning van het recht van gezinnen op voortdurende aandacht van de samenleving voor de realisatie van de randvoorwaarden voor opvoeding.

1) Hier worden de primaire verzorgers mee bedoeld

Opvoedingsondersteuning is op intentionele wijze steun bieden aan ouders bij hun opdracht en taak als opvoeders.

Functies

Opvoedingsondersteuning is gericht op ondersteuning van het opvoedingsproces. Het gaat om het verbeteren van de opvoedingssituatie van kinderen, waarvoor ouders en (andere) opvoeders verantwoordelijk zijn. Tot opvoedingsondersteuning worden traditioneel de volgende activiteiten gerekend (Bakker e.a., 1998; Hermanns, 1992):

  • het geven van informatie en voorlichting over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen;
  • het bieden van pedagogische advisering en lichte pedagogische hulp;
  • het signaleren van opvoedproblemen, het vroegtijdig onderkennen hiervan en het verwijzen;
  • het bieden van praktische en instrumentele steun aan ouders bij de opvoeding;
  • het versterken van mogelijkheid tot zelfhulp;
  • het versterken van het sociale netwerk van kinderen en ouders;
  • het bevorderen van een stimulerende pedagogische en fysieke omgeving.

In de praktijk van JGZ- en andere CJG-professionals houdt dat (op het consultatiebureau (CB), in het CJG, bij ouders thuis of op het spreekuur op school) vooral in: ouders laten praten, samen verkennen en gerichte feedback geven als ouders willen praten over de opvoeding. Dit kan ouders steunen bij hun leerproces op het terrein van het ouderschap. Bovendien kan daar (vroeg)signalering van opvoedingsvragen of -problemen uit voortkomen.

In beleid en wetgeving wordt opvoedingsondersteuning gekarakteriseerd als het ondersteunen van ouders en het verbeteren van de opvoedingssituatie, het helpen bij het vervullen van opvoedingstaken en het ondersteunen van ouders in hun rol als opvoeder met lichte (bv. een brochure over ‘grenzen stellen’) tot meer intensieve vormen (bv. de gezinscoach). In de Wet Maatschappelijke Ondersteuning zijn vanaf 2007 de functies onder ‘op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden’ (prestatieveld 2) als volgt aangeduid:

  • informatie en advies;
  • signalering;
  • toeleiding naar het hulpaanbod;
  • lichte pedagogische hulp;
  • coördinatie van zorg op lokaal niveau.

De verantwoordelijkheid voor het lokale preventieve jeugdbeleid en voor maatschappelijke ondersteuning is bij de gemeenten gelegd. Dat geldt ook voor de uitvoering van het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg (2) vanuit de Wet publieke gezondheid. Daarin komt opvoeden aan de orde bij:

  • de algemene anamnese (U1.1.5) van onder meer slapen en slaapgedrag, eten en eetgedrag, spelen, zich vermaken;
  • het inschatten van de zorgbehoefte (U2.1.2), waaronder het inschatten van de behoefte aan advies en voorlichting bij het opvoeden;
  • voorlichting, advies, instructie en begeleiding (M4.1.1);
  • het beïnvloeden van gezondheidsbedreigingen (M5.1.1.)

2) De commissie-De Winter heeft in maart 2013 advies uitgebracht over het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg. Hierin worden ook enkele inhoudelijke wijzigingen voorgesteld. In deze richtlijn wordt de huidige situatie beschreven.

Volgens het Besluit jeugdgezondheidszorg valt voorlichting gericht op opvoeding en het bevorderen van gezond gedrag onder het maatwerk. Maar er is consensus over het feit dat opvoedingsondersteuning ondergebracht dient te worden in het universele deel. Dit is opgenomen in het (ABC-)rapport Activiteiten Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg 0-19 jaar per Contactmoment (Dunnink en Lijs-Spek, 2008). Te denken valt aan voorlichting over actief en passief roken, alcoholgebruik, veiligheid, preventie van wiegendood, borstvoeding, voeding, eetproblemen, gewicht, huilbaby’s, opvoeding, bedplassen, mondverzorging, verzorging, beweging, ontwikkeling, spel, taalstimulering, ouder-kindhechting, weerbaarheid, leefstijl en seksualiteit. Deze voorlichting behoort aan alle jeugdigen/hun ouders gegeven te kunnen worden. In de praktijk gebeurt dat ook al. Daarom beveelt het voormalige Platform JGZ aan productgroep U4 uit te breiden met voorlichting gericht op opvoeding en het bevorderen van gezond gedrag. Dit advies wordt breed gedragen. In het licht van de ontwikkeling van de Centra voor Jeugd en Gezin, waarvan de JGZ een van de kernpartners is, komt de verbinding tot stand van de JGZ-taak voorlichting, advies, instructie en begeleiding met de Wmo-taken uit het prestatieveld opvoed- en opgroeiondersteuning. De daartoe benodigde competenties van CJG- en daarmee ook van JGZ-professionals zijn neergelegd in de competentiebeschrijvingen van de CJG-professionals (ministerie voor Jeugd en Gezin, 2010). Dat vraagt vanuit de traditie van de JGZ van jeugdartsen, jeugdverpleegkundigen en doktersassistentes, maar ook van maatschappelijk werkers, pedagogen en andere gedragswetenschappers competenties die in relatie staan tot de doelen van het Centrum voor Jeugd en Gezin, te weten: vraaggericht, klantversterkend, omgevingsgericht en samenwerkingsgericht werken en werken in een netwerkorganisatie en competenties die in relatie staan tot de kerntaken van:

  • signaleren, analyseren en indien nodig toeleiden naar (gespecialiseerde) hulp;
  • voorlichting, advies, informatie en hulp;
  • integrale zorg organiseren;
  • monitoren, screenen en vaccineren.

De functies van opvoedingsondersteuning in de JGZ zijn:

  • het geven van informatie en voorlichting over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen;
  • het bieden van pedagogische advisering en lichte pedagogische hulp;
  • het signaleren van opvoedproblemen, het vroegtijdig onderkennen hiervan en het inschakelen van hulp;
  • het organiseren van informele, sociale, praktische en instrumentele steun van ouders bij de opvoeding;
  • het bevorderen van een stimulerende pedagogische en fysieke omgeving.

In samenhang met de zorg voor het totale opvoeden en opgroeien van jeugdigen hoort ook de functie het coördineren van zorg daartoe, maar de complexiteit van die functie vereist een aparte richtlijn, waartoe in de JGZ al een aanloop is genomen in de vorm van het ‘Standpunt versterken samenwerking JGZ en Bureau Jeugdzorg (Pijpers, Beckers en Lijs-Spek, 2010). Deze functie blijft in deze richtlijn verder buiten beschouwing. In CJG-kader is daarvoor de handreiking 1 gezin, 1 plan opgesteld (VWS, 2010).

Geschiedenis

De JGZ heeft zich de afgelopen eeuw sterk ingezet voor kind en ouder. Door haar inzet voor de zorg voor het gewone leven, het ‘ondersteunend meelopen met ouders’, een outreachende werkwijze en een missie voor gezondheid en welbevinden van ouder en kind heeft de JGZ een doorgaans goede naam verworven, vrijwel de gehele bevolking bereikt en volksgezondheidsdoelstellingen gerealiseerd. Al vanaf het begin hielden de kruisverenigingen zich ook bezig met de opvoeding en verzorging van kinderen. In de ‘Open brief aan moeders en allen die in kinderen belangstellen’ bepleitte Maria Sandberg-Geisweit van der Netten in 1899 om ouders te ondersteunen bij de opvoeding. In datzelfde jaar werd de eerste moeder- en bakercursus gegeven in Broek op Langendijk, in 1901 gevolgd door het eerste consultatiebureau voor zuigelingen in Den Haag. In 1927 werd dit uitgebreid met het ‘CB voor kleuters’. In 1928 werd het eerste Consultatiebureau voor Moeilijke Kinderen opgericht in Amsterdam door de juriste Eugenia Lekkerkerker, naar het Amerikaanse voorbeeld ‘Child Guidance Clinic’. Vanuit het Consultatiebureau voor Moeilijke Kinderen ontstonden later de ‘Medisch Opvoedkundig Bureaus’ die nu deel uitmaken van de GGZ.

Het begrip opvoedingsondersteuning is in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw naar voren gekomen, als eerste in het Spel- en Opvoedwinkelproject van de toenmalige Stichting Spel- en Opvoedingsvoorlichting (S&O). Deze landelijke stichting bracht in 1985 een eerste uitgebreide literatuurstudie uit (Van Hensbergen, 1985). De nota ‘Opvoeding ondersteund’ van de toenmalige Raad voor het Jeugdbeleid gaf in 1986 bredere bekendheid aan het begrip opvoedingsondersteuning. In 1989 publiceerde de Stichting Spel- en Opvoedingsvoorlichting het beleidsdocument: ‘Opvoedingsondersteuning. Een visie voor de negentiger jaren op de ondersteuning aan opvoeders.’ Cox en Buskop-Kobussen (2003) wijzen op de traditionele voorlichtings- en preventietaken van de jeugdgezondheidszorg, onder meer op het gebied van hygiëne, opvoeding en verzorging. Die taken krijgen in de JGZ in navolging van de gezondheidsbevordering vanaf het eind van de 20e eeuw een impuls (Lim en Prinsen, 1999; Prinsen en Verhegge, 2002; Hermanns c.s., 2005) en zijn anno 2010 uitgemond in de taken voorlichting (informatie) en advies geven, het versterken van de informele en sociale steun, signaleren, het bieden van lichte hulp, toeleiden en verwijzen. De jeugdgezondheidszorg heeft zich, zoals Hermanns (2007) dat betitelt, ontwikkeld tot de ‘expert van het gewone leven’, die als de spin in het web van het CJG kan functioneren. Zij is nu een van de kernpartners van het CJG, samen met de gedragswetenschappers en de maatschappelijk werkers. Vooruitlopend op de transitie van de jeugdzorg komt deze richtlijn in dat perspectief tot stand.

Referenties


Pagina als PDF