Richtlijn: Houding en bewegen (2020)

1. Symptomen en aandoeningen rond houding en bewegen - Aanbevelingen

Door de werkgroep is bepaald welke symptomen en aandoeningen relevant zijn voor de JGZ, en daarom behandeld dienen te worden in deze richtlijn. In dit thema worden de aandoeningen beschreven die JGZ-professionals actief op dienen te sporen. De symptomen en aandoeningen die niet actief opgespoord hoeven te worden zijn beschreven in bijlage 1. Sommige symptomen en aandoeningen zijn al beschreven in andere JGZ Richtlijnen, en worden daarom niet nogmaals behandeld (zie bijlage 2 voor een overzicht).

Aanbevelingen

Wijze van signalering

Voor alle symptomen en aandoeningen die worden behandeld in deze JGZ Richtlijn Houding en bewegen wordt beschreven hoe JGZ-professionals deze kunnen signaleren. Er is een onderscheid gemaakt tussen wel en niet actief opsporen. Hierbij is onder andere rekening gehouden met de prevalentie van de aandoening, het bestaan van een betrouwbare test om de aandoening op te sporen en de te behalen gezondheidswinst door actieve opsporing.

  • Actief opsporen: het onderzoek naar de aan- of afwezigheid van de betreffende aandoening wordt (in een beschreven leeftijdsfase) aan alle jeugdigen aangeboden.
  • Niet actief opsporen: signalering vindt plaats op basis van observaties van de JGZ-professional tijdens contactmomenten en vragen/zorgen van ouders en/of jeugdige (of derden, waarbij informatie alleen uitgewisseld mag worden met toestemming van ouders en/of jeugdige). 

Onderzoeksmomenten

De JGZ Richtlijn Houding en bewegen bevat slechts enkele aandoeningen die actief opgespoord dienen te worden door JGZ-professionals. In de meeste gevallen wordt gereageerd op vragen/zorgen van ouders. De symptomen en aandoeningen die niet actief opgespoord hoeven te worden zijn beschreven in bijlage 2.

Deze richtlijn is gebaseerd op het JGZ-aanbod volgens het Landelijk Professioneel Kader (LPK).

Voor enkele aandoeningen worden specifieke onderzoeksmomenten aanbevolen. Een uitgebreidere toelichting op de onderwerpen volgt in de paragraaf ‘beschrijving actief op te sporen symptomen en aandoeningen’.

Tabel 2. Onderzoeksmomenten voor actief op te sporen symptomen en aandoeningen.

Leeftijd(sfase) Acties Symptoom of aandoening
2 weken Spina bifida
4 weken Spina bifida
2e week t/m 6 maanden
  • Herhaald beoordelen Van Wiechen kenmerk 54 (blijft hangen bij optillen onder de oksels); 4x aan te bieden volgens het Van Wiechenonderzoek.
  • Herhaald beoordelen Van Wiechen kenmerk 55 (reacties bij optrekken tot zit); 4x aan te bieden volgens het Van Wiechenonderzoek.
  • Herhaald beoordelen Van Wiechen kenmerk 52 (beweegt armen goed); 4x aan te bieden volgens het Van Wiechenonderzoek.

Bijzonderheden tonus (hypo-/hypertonie)

Bijzonderheden tonus (hypo-/hypertonie)

Tremor

9 – 11 jaar
  • Navragen familieanamnese voor scoliose (in een persoonlijk contact of via een vragenlijst)

Vraag bijvoorbeeld: ‘Zijn er familieleden die een scoliose (ook bekend als een S-bocht of zijdelingse kromming in de rug) hebben gehad?’.

Bij een positieve familieanamnese op scoliose worden extra contactmomenten (voor de start van de groeispurt) aangeboden om de rug te controleren. Daarna 1x per 6-12 maanden, afhankelijk van de lengtegroei en de puberteitsontwikkeling (hoe sneller de groei, des te frequenter de controle). De controles worden afgerond bij een (vrijwel) voltooide groeispurt2 .

Scoliose

2Dit is een professionele beoordeling op basis van de groeicurve en de puberteitskenmerken.
De JGZ Richtlijn Lengtegroei vermeld: De groeispurt treedt bij meisjes op vanaf het begin van de puberteit en is maximaal bij M3-4. De menarche treedt gemiddeld op bij 13,05 jaar [15], de groeispurt is dan voorbij het maximum. De groeispurt bij jongens begint 1 à 2 jaar na het begin van de puberteit, in puberteitsstadium G3-4, wanneer de testis ongeveer 10 ml inhoud heeft. De groeisnelheid is maximaal wanneer de testis ongeveer 15-17 ml inhoud heeft (G4-5).

Lichamelijk onderzoek

Veel bijzonderheden rond houding en beweging kunnen alleen goed gesignaleerd worden als het kind ontkleed wordt gezien. De JGZ Richtlijn Houding en bewegen bevat slechts enkele aandoeningen die actief opgespoord dienen te worden door JGZ-professionals. Ontkleed zien voor bijzonderheden rond houding en beweging gebeurt alleen actief bij de bovengenoemde onderzoeksmomenten.

De jeugdverpleegkundige observeert de jeugdige en bij twijfel over uitwendig zichtbare bijzonderheden overlegt zij met de jeugdarts3. Het lichamelijk onderzoek wordt door de jeugdarts verricht. De jeugdarts combineert de bevindingen bij anamnese en lichamelijk onderzoek met de medische voorgeschiedenis van de jeugdige, en stelt een differentiaaldiagnose op.

Bij het lichamelijk onderzoek gericht op de onderwerpen houding en bewegen wordt gelet op:

  • De houding, met aandacht voor de stand van het hoofd, de schouders, de rug, de heupen, de knieën en de voeten.
  • Het looppatroon
  • De neuromotorische ontwikkeling

Het onderzoek naar beenlengteverschil, de buigtest en de overige specifieke onderzoek staan beschreven in de onderbouwing en bijlage 1.


3 Daar waar ‘jeugdarts’ staat, kan ook ‘verpleegkundig specialist’ worden gelezen. De verpleegkundig specialist preventieve zorg is een verpleegkundige met een BIG geregistreerde masteropleiding die werkzaamheden van het medisch domein combineert met die van het verpleegkundig domein binnen het eigen deskundigheidsgebied en zij werkt op expertniveau. Zij is binnen dit expertisegebied o.a. bevoegd om zelfstandig te werken, diagnoses te stellen en te verwijzen waar nodig is. De verpleegkundig specialist is lid van het JGZ-team, zij maakt net als de andere teamleden gebruik van de expertise van collega’s en speciaal van de jeugdarts als het gaat om complexe medische problematiek.

Meer informatie over de aanbevelingen staat in de onderbouwing van dit thema.


Pagina als PDF