Richtlijn: Motorische ontwikkeling (2019)

1. Neurale Groep Selectie Theorie

De Neurale Groep Selectie Theorie (NGST) stelt dat ontwikkeling het resultaat is van een complexe interactie tussen genetische informatie en omgevingsfactoren. De ontwikkeling begint al vroeg-foetaal (eerste trimester van de zwangerschap) met een groep cellen en verbindingen, de zogenaamde primaire neurale repertoires. Deze repertoires zijn evolutionair en epigenetisch bepaald. De cellen en verbindingen kennen veel variatie door een continue wisselwerking tussen de genetische eigenschappen en de omgevingsfactoren van het kind. Motorisch gedrag in deze periode kent hierdoor veel variaties. In deze periode zijn bewegingen niet precies aangepast aan de omstandigheden, maar zijn een uiting van een fundamenteel ontwikkelingsfenomeen, ook wel de fase van de primaire variabiliteitgenoemd.
 
Vervolgens worden op basis van ervaringsgeleide selecties, op functiespecifieke momenten in het leven, de repertoires gekozen die functioneel het beste resultaat opleveren. Dit leidt tot secundaire, adaptieve neurale repertoires. Het tijdstip van deze selecties hangt af van de benodigde functie. Zo vindt de selectie van een efficiënt zuigpatroon al plaats in het laatste trimester van de zwangerschap, terwijl de selectie van een energetisch gunstige hiel-teengang plaatsvindt tussen 12 en 18 maanden. De fase van het aanpassingsvermogen is een fase van secundaire of adaptieve variabiliteit14,108. Deze laatste fase duurt tot in de adolescentie.
 
De secundaire neurale repertoires worden gekenmerkt door veel parallelschakelingen. Hierdoor zijn er voor eenzelfde motorische taak verschillende oplossingen beschikbaar. Van het tweede tot derde levensjaar maakt de secundaire variabiliteit een groeispurt door12.


Pagina als PDF