Richtlijn: Astma bij kinderen (2011)

7. Aanbevelingen voor beleid, onderzoek en JGZ-organisaties

Op basis van de richtlijn werden de volgende aanbevelingen voor beleid, onderzoek en JGZ organisaties geformuleerd:

Aanbevelingen voor beleid

In deze richtlijn wordt aanbevolen gebruik te maken van het programma ‘Rookvrij opgroeien’.  Dit betreft een evidence-based programma voor het verminderen van het percentage  kinderen in de leeftijd van 0-4 jaar dat wordt blootgesteld aan tabaksrook in de thuissituatie. Volgens het Basistakenpakket (2002) valt deze voorlichting onder het maatwerkdeel, namelijk onder M411 en M412. Landelijk is hierover destijds veel discussie geweest, waarbij het advies was om deze voor de JGZ zeer relevant uit te voeren taak onder te brengen in het uniforme deel. Ook werd het programma opgenomen in het rapport ‘Activiteiten Basistakenpakket JGZ 0-19 jaar per Contactmoment (2008)’. Gezien het belang van het programma ‘Rookvrij opgroeien’ wordt vanuit de richtlijn dan ook ten sterkste aanbevolen dit programma op te nemen in het uniforme deel, bij de algemene taken van de JGZ. De preventie van astma kan niet uitgevoerd worden als aandacht voor rookvrij opgroeien ontbreekt. Geadviseerd wordt dit te bespreken met de gemeente om dit programma in de vaste taken van de JGZ verankerd te krijgen. Er is geen landelijke afspraak over de taakverdeling bij de begeleiding van gezinnen met een kind met astma, noch over de persoon die dat uitvoert. Op regionaal en lokaal niveau zijn hier over het algemeen afspraken over gemaakt: het kan zijn dat advies door een saneringsverpleegkundige afkomstig uit de JGZ wordt gegeven, maar het kan ook zijn dat een JGZ-astmaverpleegkundige een speciale taak heeft bij de begeleiding van gezinnen. Ook is het mogelijk dat vanuit het ziekenhuis gespecialiseerde (kinder)longverpleegkundigen aangesteld zijn voor de begeleidingstaak. Daarnaast kan ook de praktijkondersteuner van de huisarts taken uitvoeren bij de zorg voor het kind met astma. In de richtlijn was het hierdoor niet mogelijk over de naamgeving noch de invulling van de taken een uitspraak te doen. Zolang de afspraken duidelijk zijn voor ouders, kind en hulpverleners in de ketenzorg hoeven deze verschillen in astmabegeleiding geen problemen te geven. Anderzijds kan het tot regionale gezondheidsverschillen leiden. Een eenvormige organisatie van de zorg rondom astma verdient de voorkeur. Bij het ontwikkelen van de richtlijn werd gebruik gemaakt van en aangesloten bij de bestaande richtlijnen vanuit de beroepsgroep van de huisartsen en de kinderlongartsen. De voorliggende richtlijn is primair bedoeld voor de JGZ. Op sommige punten bestaat overlapping met de verschillende beroepsbeoefenaren, op andere punten zijn belangrijke aanvullingen gedaan. Verpleegkundige inbreng dient nadrukkelijker dan nu het geval is meegenomen te worden, omdat dit een belangrijk onderdeel uitmaakt van de zorg rondom astma. Hulp bij opgroeien en opvoeden verdient bovendien meer aandacht, niet alleen in de JGZ maar ook in de eerste en de tweede lijn.

Aanbevelingen voor onderzoek

De prevalentie van astma kan alleen geschat worden. In huisartsenregistraties worden (logischerwijze) alleen gevallen van astma vastgelegd indien huisartsenhulp gevraagd wordt. Dit zal met name bij milde symptomen niet altijd het geval zijn. Een andere methode is het hanteren van vragenlijsten in de algemene populatie. Deze leveren belangrijke gegevens, naar verwachting ook over het vóórkomen van milde symptomen. Praktisch gezien is het voor onderzoekers het handigst om vragenlijsten via scholen uit te delen. Dit betekent echter wel dat de leeftijdsindeling zoals gevolgd door huis- en kinderartsen (tot zes jaar en vanaf zes jaar) in epidemiologisch onderzoek meestal niet gehanteerd wordt. Gegevens over jonge kinderen (tot vier jaar) en adolescenten zijn bovendien schaars. Epidemiologisch onderzoek naar de prevalentie van astma is gewenst. Er zijn diverse vragenlijsten voor de vroegtijdige opsporing van astma ontwikkeld, maar hun validiteit kon niet of onvoldoende aangetoond worden. Een wereldwijd veelgebruikte vragenset is die van het ISAAC-onderzoek (International Study of Asthma and Allergy in Childhood-onderzoek.

De ISAAC-vragenlijsten zijn primair bedoeld voor het vaststellen van de prevalentie van astma en allergie onder kinderen en niet voor het signaleren en verwijzen van individuele kinderen met symptomen van astma. Onderzoek naar de validiteit van de Nederlandse versie van de vragenlijst is tot op heden niet uitgevoerd.

Aanbevelingen voor de JGZ

Naast de huisarts of kinderarts die het kind of de jongere behandelt voor astma, kan de astmaverpleegkundige een belangrijke rol spelen bij de begeleiding van kinderen en jongeren met astma en hun ouders. Regionale verschillen in de organisatie van het begeleidingstraject van het kind met astma en de ouders bestaan. De begeleiding kan vanuit het ziekenhuis georganiseerd zijn, maar ook vanuit de thuiszorg of de huisartspraktijk met inzet van praktijkondersteuners (POH’s). Over de organisatie van het begeleidingstraject is geen landelijke afspraak. Hierover moeten op regionaal en lokaal niveau afspraken gemaakt worden. Per organisatie zou bovendien een sociale kaart gemaakt moeten worden gemaakt (onder andere met een overzicht waar in de regio extra hulpverlening is en wat de verwijsmogelijkheden zijn). Scholing van medewerkers in het gebruik van de richtlijn is gewenst. In een scholing moeten de begrippen piepen en benauwdheid duidelijk uitgelegd worden, liefst met behulp van film- of geluidsmateriaal. Een uitleg over de verschillende soorten medicatie en hoe de medicatie toegediend moet worden, wordt bovendien aanbevolen. Voor optimale beoordeling van de effecten van medicatie is het wenselijk een actueel overzicht van de verschillende beschikbare medicamenten te hebben. In de praktijk kan dit overzicht worden gebruikt om met ouders de medicatie te bespreken. De belangrijkste interventies gericht op het voorkomen van het ontstaan van astma is het vermijden van blootstelling aan tabaksrook (in de zwangerschap en in nabijheid van het kind en door het kind zelf). Het bespreekbaar maken van het rookgedrag van ouders wordt in de praktijk als lastig ervaren. Een cursus motiverende gespreksvoering wordt aanbevolen om beter adviezen over stoppen met roken te kunnen geven.


Pagina als PDF