Richtlijn: Taalontwikkeling (2018)

Inleiding en leeswijzer

Inleiding

Dit document is bedoeld voor professionals in de jeugdgezondheidszorg (JGZ) en beoogt een richtlijn te zijn voor het handelen in hun contacten met jeugdigen en hun ouders/verzorgers. Dat zijn jeugdartsen, verpleegkundig specialisten, jeugdverpleegkundigen, doktersassistenten en preventief werkend logopedisten. Deze richtlijn is gebaseerd op een knelpuntenanalyse uitgevoerd door het CBO en de Argumentenfabriek (december 2013). Deelnemers aan deze knelpuntenanalyse hebben uitgangsvragen opgesteld die in deze richtlijn worden beantwoord. Een projectgroep van TNO en NSDSK (specialist voor taal en gehoor) heeft de teksten voor de richtlijn geschreven in samenwerking met een werkgroep van JGZ-professionals en andere experts (zie verder onderdeel ‘Totstandkoming richtlijn’). De richtlijn is door de RichtlijnAdviesCommissie (RAC) op 25 juni 2018 geautoriseerd voor gebruik in de JGZ. De RAC heeft bij haar beoordeling rekening gehouden met de inhoud van de richtlijn (wetenschappelijke onderbouwing en opzet) en de voor implementatie vereiste randvoorwaarden. De handreiking ‘Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen’ komt hiermee te vervallen. 

Leeswijzer

Deze richtlijn beschrijft in Thema 1 de normale taalontwikkeling, de problemen die hierbij kunnen optreden en de gevolgen hiervan voor het dagelijks leven. In Thema 2 worden risico- en beschermende factoren voor het ontwikkelen van taalachterstand benoemd. Thema 3 heeft als onderwerp het volgen en signaleren van kinderen met een (vermoeden van) taalachterstand door de JGZ. In Thema 3 worden ook aanbevelingen gedaan voor het maken van afspraken tussen de JGZ en andere partijen waarmee wordt samengewerkt in het kader van de preventie van taalachterstand. In Thema 4 komen preventieve adviezen en begeleiding die de JGZ kan geven om taalachterstand te voorkomen of te verminderen aan de orde.

Normale en afwijkende taalontwikkeling (Thema 1)

In Bijlage 7 worden de mijlpalen beschreven die volgens de SNEL (Spraak- en taalNormen EersteLijns gezondheidszorg) bij een normale ontwikkeling minimaal behaald moeten zijn op leeftijd van twee -, tweeënhalf - en drie jaar en die behaald worden tussen drie - en zes jaar. Kinderen bij wie de taalontwikkeling achterblijft bij leeftijdsgenoten hebben een taalachterstand. Er kunnen verschillende oorzaken zijn van een taalachterstand, namelijk: 1) als gevolg van beperkingen zoals doofheid, autismespectrumstoornis (ASS) of algehele ontwikkelingsachterstand (secundaire taalontwikkelingsstoornis), 2) een primaire taalontwikkelingsstoornis (TOS) op basis van een defect bij het kind, en 3) als gevolg van onvoldoende taalaanbod (taalontwikkelingsachterstand, ofwel TOA).

Risico- en beschermende factoren (Thema 2)

De JGZ vraagt na en registreert tijdens het eerste contact of er persistente taal- en/of leerproblemen bij ouder(s), broer(s) en/of zus(sen) zijn of zijn geweest, of er bijzonderheden waren tijdens de zwangerschap van het kind en de geboorte (m.n. prematuriteit, laag geboortegewicht, complicaties bij geboorte), de taal of de talen die de ouder(s)/verzorger(s) met het kind spreken en het opleidingsniveau van de ouder(s)/verzorger(s).

Volgen en signaleren (Thema 3)

De JGZ vormt bij alle 0- tot 4-jarigen op tenminste twee momenten een oordeel over de taalontwikkeling:

  • op de leeftijd van twee jaar (=24 maanden; spreiding 23-27 maanden);
  • op de leeftijd van drie jaar (=36 maanden; spreiding 35-39 maanden).

De werkwijzen voor de signalering van taalachterstanden op deze leeftijden worden weergegeven in Bijlagen 1 en 3 van deze richtlijn. Hierin wordt (conform de voormalige handreiking ‘Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen’ van het NCJ) een signaleringsmodel beschreven uitgaande van het Van Wiechenonderzoek met daarin geïntegreerd het VTO Taalinstrument.

Taalstimulering (Thema 4)

De richtlijn benadrukt vanaf het eerste contact het belang van goede interactie van ouders met hun kind en geeft adviezen over welke strategieën (o.a. oogcontact, beurtnemen, herhalen wat het kind zegt, interactief voorlezen) ouders dagelijks kunnen gebruiken om de taalontwikkeling van hun kind te stimuleren. JGZ-professionals zijn bekend met lokale mogelijkheden (ouderprogramma’s, bibliotheek, kortdurende peuteropvang zoals peuterspeelzalen en VVE) om de taalontwikkeling van het jonge kind te stimuleren en gebruiken deze kennis om ouders te adviseren.

Bij een verhoogd risico op taalachterstand bespreekt de JGZ haar zorgen met de ouders  en adviseert ouders om hun kind, vanaf de leeftijd van ongeveer twee jaar totdat het kind naar de basisschool gaat, kortdurende peuteropvang zoals een peuterspeelzaal of VVE te laten bezoeken.

Als er op grond van het onderzoek door de JGZ op leeftijd van twee jaar sprake is van twijfel over de taalontwikkeling dan vindt een vervolgtraject plaats door de logopedist of de jeugdverpleegkundige voor extra stimulering van de taalontwikkeling (Bijlage 4 en bijlage 5). Doel van de begeleiding is om de taalontwikkeling binnen een half jaar op niveau te brengen.

Lees verder in Thema 1: normale en afwijkende taalontwikkeling


Pagina als PDF