Richtlijn: Voeding en eetgedrag (2013, aanpassing 2017)

3. Kinderen in de leeftijd van 0-1 jaar-Aanbevelingen

JGZ heeft een belangrijke taak in de universele en individuele preventieve voorlichting, het beantwoorden van vragen van ouders met betrekking tot voeding en eetgedrag en het begeleiden en versterken van de competentie van ouders (empowerment). De preventieve taken bestaan uit:

  • Het volgen van groei en ontwikkeling.
  • Het verschaffen van informatie over gezonde voeding en leeftijdsadequaat eetgedrag en het geven van adviezen aan ouders en verzorgers om de ontwikkeling van verstoorde patronen op deze gebieden te voorkomen.
  • Wanneer een (dreigend) voedingsprobleem (spugen, verslikken, moeizame ontlasting, diarree, te weinig drinken/eten en te veel drinken/eten) of verstoord eetgedrag wordt gesignaleerd, volgt begeleiding van ouders en kind; zo nodig wordt verwezen voor extra begeleiding of verdere diagnostiek en behandeling.

Kinderen met specifieke somatische aandoeningen (prematuriteit, schisis, syndroom van Down, atopische aanleg en voedselovergevoeligheid) kunnen een ander voedingsadvies hebben. Deze worden beschreven in thema 6. Voor uitgebreide informatie zie de betreffende richtlijnen.

Aanbevelingen

De projectgroep beveelt aan:

  • Vanaf de leeftijd van 4 maanden (= 17 weken), als kind en ouders eraan toe zijn, kan bijvoeding geïntroduceerd worden. Dit dient als kennismaking met nieuwe smaken. Het gaat om kleine hapjes (dus een paar lepeltjes).
  • Vanaf zes maanden (= 26 weken) wordt bijvoeding gegeven als hapje(s) naast volledige melkvoeding.
  • Vanaf de leeftijd van 8 maanden dient bijvoeding geleidelijk de melkvoeding te gaan vervangen.

Om latere eetproblemen te voorkomen wordt geadviseerd om in ieder geval vóór de 10e maand te starten met bijvoeding met grovere stukjes.

De JGZ adviseert ouders om in het voedingsschema smaken af te wisselen om de acceptatie van nieuwe voedingsmiddelen op latere leeftijd te verhogen. Tevens wordt geadviseerd om een nieuwe smaak bij herhaling (≥ 10 eet-/drinkmomenten) aan te bieden, zelfs als het kind het voedingsmiddel in eerste instantie niet lijkt te lusten.

Ouders wordt geadviseerd om voeding niet op te dringen maar de signalen van het kind te leren herkennen. Stelregel is dat de ouder bepaalt WAT en WANNEER het kind eet en dat het kind bepaalt HOEVEEL het eet.

Ter preventie van overgewicht en cariës adviseert de JGZ ouders om het leren drinken van water te stimuleren. Tevens adviseert de JGZ ouders om niet meer dan zeven eet- en/of drinkmomenten per dag (inclusief tussendoortjes) aan te bieden.

Aanbevelingen voor suppletie:
Vitamine K

  • Moedermelk bevat weinig vitamine K en dekt de vitamine K-behoefte van het kind gedurende de eerste 3 levensmaanden niet. Direct na de geboorte wordt 1 milligram vitamine K gegeven. Daarna wordt bij de borstgevoede zuigeling een week na de geboorte gestart met suppletie van vitamine K, dagelijks 150 microgram per dag tot de leeftijd van 13 weken (Gezondheidsraad, 2010). Indien minimaal 500 milliliter kunstvoeding wordt gegeven, is suppletie van vitamine K niet noodzakelijk.
  • Voor prematuur geboren baby’s geldt een vitamine K-suppletieadvies van 150 microgram per dag tot de gecorrigeerde leeftijd van 13 weken.

Vitamine D

  • Voor à terme geborenen wordt een dagelijkse vitamine D-suppletie van 400 IE (10 microgram/dag) geadviseerd tot een leeftijd van 4 jaar (Gezondheidsraad, 2012). Dit suppletieadvies geldt voor alle kinderen van 0 tot 4 jaar, ongeacht het type voeding. Dus zowel bij borstvoeding als bij kunstvoeding als bij een combinatie hiervan.
  • Voor prematuur geborenen wordt een vitamine D-inname van 800-1000 IE per dag (20-25 microgram per dag) gedurende de eerste maanden aanbevolen, zowel voor kinderen die moedermelk krijgen als voor kinderen die kunstvoeding krijgen (Agostoni, 2010). Dit houdt in dat er altijd additioneel vitamine D gegeven moet worden. Vanaf het gewicht van 1250 gram wordt 10 microgram per dag vitamine D additioneel gegeven.

Allereerst beoordeelt JGZ of er een vermoeden bestaat van een somatische oorzaak. De JGZ verwijst bij een eetprobleem naar:

  • Prelogopedist bij problemen op het gebied van materiaal, techniek, houding, mondmotoriek/-sensoriek.
  • Kinderdiëtist bij vragen over voeding en voedingspatroon.
  • Pedagoog/gedragstherapeut bij problemen van pedagogische aard.
  • Huisarts/kinderarts:
  • - Indien voorlichting, advisering en begeleiding door de JGZ niet (voldoende) helpen.
  • - Bij verdenking op een somatische oorzaak.
  • - Bij een vermoeden van een eetstoornis waarbij pedagogische of psychiatrische hulp is vereist. De huisarts/kinderarts beoordeelt eerst of er sprake is van een somatische oorzaak en verwijst dan naar een kinderpsycholoog of kinderpsychiater.

In de voorlichting op het gebied van voeding en eetgedrag worden de volgende punten benadrukt:

  • Door het zo jong mogelijk aanleren van gezonde voedingsgewoonten en adequaat eetgedrag wordt de basis gelegd voor een optimaal voedingspatroon op latere leeftijd. Het is belangrijk dat ouders en kind in het eerste levensjaar een ontspannen voedingsinteractie met elkaar opbouwen. Door responsief op signalen van honger en verzadiging te reageren leert een baby de juiste verbanden te leggen, namelijk honger leidt tot aanbieden van voeding - verzadiging - stoppen met voeden - tevredenheid en ontspanning. Responsief oudergedrag maakt het mogelijk dat een kind zijn eigen lichaam en voedingsbehoeften leert kennen. Dit ondersteunt de ontwikkeling van een veilige hechting (Chatoor, 1998).
  • Voorkomen moet worden dat voedingsopname onder externe controle komt, zoals strak gehanteerde regels, opdringen van voeding of dat voeding gebruikt wordt voor oneigenlijke doeleinden, zoals troost of compensatie. Ouders wordt daarom geadviseerd te letten op signalen van honger en verzadiging. Als een zuigeling aan een voeding toe is, kan dat al aan het gedrag van het kind worden gezien (minder diepe slaap; zoekgedrag; zuigen op de handjes; bewegen met het mondje en uiteindelijk huilen). Naarmate de voeding vordert, raakt het kind meer verzadigd. Het kind laat bij verzadiging meestal vanzelf de tepel (borstvoeding) of speen los of laat zien dat het voldoende heeft gedronken door zich te strekken, te kokhalzen of het hoofdje weg te draaien (Engel-Hoek, 1999). Vooral bij volledige zuigelingenvoeding is het in dit kader belangrijk dat ouders weten dat het niet nodig is om altijd de hele fles leeg te laten drinken.

Borstvoeding

Onderzoek laat zien dat borstvoeding op korte en lange termijn de gezondheid van zowel de moeder als haar kind optimaal ondersteunt (Van Rossum, 2005). De JGZ adviseert ouders om ten minste gedurende de eerste 6 maanden borstvoeding te geven (Kramer, 2002; Lanigan, 2001). Voeden op verzoek, rooming-in en zorgvuldig aanleggen bevorderen een goede start van de borstvoeding (Donkers, 1999). Wanneer borstvoeding niet (meer) mogelijk is of wanneer ouders dit niet willen, dan krijgt het kind volledige zuigelingenvoeding uit de fles (‘kunstvoeding’). Voor uitgebreide informatie zie www.richtlijnborstvoeding.nl.

Samenstelling
Moedermelk bestaat uit een uitgebreide mix van ingrediënten, die volledig tegemoet komt aan de individuele behoefte van de à terme geboren zuigeling. De samenstelling van de moedermelk staat sterk in relatie tot de behoefte van het groeiende kind, zodat het altijd optimaal op elkaar aansluit (Anten-Kools, 2011). De samenstelling (en smaak) kan per dag en zelfs gedurende een voeding verschillen. Het stadium van lactatie en de voeding van de moeder zelf zijn waarschijnlijk de meest bepalende factoren voor de hoeveelheid (volume) en de samenstelling van de moedermelk (Kunz, 1999).

Behoefte
De Wereldgezondheidsorganisatie WHO (1998) adviseert dat baby’s op verzoek borst- voeding krijgen. Dit houdt in: zo vaak en lang als het kind wil, zowel overdag als ’s nachts. In de eerste levensweek betekent dit minimaal acht voedingen per etmaal. Vanaf het moment dat het kind meer bijvoeding krijgt, drinkt het minder en neemt de hoeveelheid moedermelk af. Het is dan een kwestie van vraag en aanbod.

Borstvoeding en kolven
Kolven van moedermelk kan noodzakelijk zijn om de melkproductie op gang te brengen of te houden, bijvoorbeeld bij scheiding van moeder en kind. Het type kolf dat gebruikt wordt, moet afgestemd zijn op het doel van het kolven. De frequentie van kolven moet zoveel mogelijk de normale voedingsfrequentie benaderen. Het is belangrijk het kolfapparaat en de flesjes om de melk in op te vangen na elk gebruik goed schoon te maken. Dit kan het beste in een vaatwas- machine of met heet water, afwasmiddel en een schone doek om mee af te drogen.

Afgekolfde moedermelk kan bij maximaal 4 °C maximaal 72 uur in de koelkast worden bewaard en 6 maanden in een diepvriezer (maximaal -18 °C). Het verwarmen van afgekolfde melk kan au bain-marie, in een flessenwarmer of in de magnetron plaatsvinden. De melk moet niet heter worden gemaakt dan de drinktemperatuur voor het kind (30-35 °C). Als de temperatuur boven de 55 °C stijgt, gaan de afweerstoffen verloren. Bij verwarming in de magnetron moet de voeding halverwege de opwarmtijd een keer worden omgeschud om gelijkmatige verwarming te bewerkstelligen.

Materiaal en techniek
Voor adviezen rondom de techniek van borstvoeding en het kolven van moedermelk verwijzen we naar de richtlijn ’Borstvoeding’ (zie 'Afbakening' in de inleiding).

Kunstvoeding (‘volledige zuigelingenvoeding’)

Moedermelk is een volwaardige voedingsbron tot de leeftijd van 6 maanden, waarmee kan worden doorgegaan zolang moeder en kind dat kunnen en willen. Indien geen of gedeeltelijk borstvoeding wordt gegeven, dan kan kunstvoeding (< 6 maanden) of opvolgmelk (6-12 maanden) worden (bij)gegeven.

Samenstelling
De warenwettelijke benaming voor kunstvoeding is volledige zuigelingenvoeding. Volledige zuigelingenvoeding voorziet in alle benodigde voedingsstoffen voor de groei en ontwikkeling gedurende de eerste levensmaanden van gezonde à terme zuigelingen. In aanvulling op de wettelijk voorgeschreven samenstelling worden er aan kunstvoeding vaak nog andere bestanddelen toegevoegd. Maar hieraan zijn wel warenwettelijke eisen verbonden. Omdat de meeste van deze bestanddelen ook in moedermelk aanwezig zijn, wordt verondersteld dat ze specifieke gezondheidsbevorderende eigenschappen hebben. De wetenschappelijke onderbouwing voor dergelijke claims is beperkt.

Vanwege het uitputten van de bij de geboorte meegekregen lichaamsvoorraad ijzer hebben kinderen vanaf de zesde maand meer ijzer nodig. Koemelk bevat weinig ijzer. Opvolgmelk bevat toegevoegd ijzer, minder eiwit en natrium en verdient daarom de voorkeur voor kinderen die kunstvoeding krijgen vanaf de leeftijd van zes tot twaalf maande (Agostoni, 2008).

Voor de advisering over het type volledige zuigelingenvoeding (standaard volledige zuigelingenvoeding of hypoallergene voeding) bij een atopische aanleg verwijzen we naar de JGZ-richtlijn ‘Voedselovergevoeligheid’.

Behoefte
De meeste kinderen willen vanaf 1 maand ongeveer 6 keer per dag een voeding. In de eerste weken willen de meeste kinderen vaker gevoed worden. Ieder kind ontwikkelt een eigen ritme; er zijn kinderen die minder vaak drinken en andere drinken juist vaker. Ook per dag kan dit verschillen. Als vuistregel voor de benodigde hoeveelheid voeding in het eerste half jaar wordt een hoeveelheid van circa 150 ml per kg lichaamsgewicht aangehouden. Dus een kind van 4000 gram zou per etmaal ongeveer nodig hebben: 4 maal 150 ml = 600 ml. Dit wordt dan verdeeld over het aantal voedingen dat de zuigeling per etmaal krijgt. De voedingen worden regelmatig over de dag verdeeld en bij voorkeur de eerste 6 weken ook ‘s nachts aangeboden. Omdat per kind het ritme en de hoeveelheid voeding verschillend kunnen zijn, zal de JGZ advies op maat geven. Er zijn geen minimale of maximale hoeveelheden vastgesteld: er is geen wetenschappelijk bewijs voor de van oudsher aanbevolen maximale hoeveelheid van een liter. De groei van het kind is een belangrijkere maat om te zien of het kind genoeg eet dan de exacte hoeveelheid. De hoeveelheid urine en ontlasting zijn, naast het gewicht, een indirecte maat om te zien of het kind voldoende of misschien te veel binnenkrijgt. Het volgen van de groeicurve is aan te bevelen om tijdig afbuigen te signaleren. Te veel gewichtstoename in de eerste twee levensjaren kan leiden tot overgewicht op latere leeftijd (Baird et al., 2005). Het is belangrijk dat ouders weten dat het niet nodig is de hele fles altijd leeg te laten drinken.

Bereiding
Kunstvoeding is bacteriologisch gezien een kwetsbaar product, omdat het poeder waaruit de kunstvoeding wordt bereid, niet steriel is en bereide kunstvoeding een goede voedingsbodem is voor bacteriën. Voorkomen moet worden dat er ongewenste bacteriegroei in de voeding optreedt. Daarom is goede hygiëne bij de bereiding essentieel. Onderstaande adviezen komen uit de praktijk, onderzoek geeft geen uitsluitsel (Agostoni, 2004).

Zuigflessen en spenen moeten direct na gebruik omgespoeld worden met koud water. Daarna dienen ze goed te worden schoongemaakt. Dit kan het beste in een vaatwasmachine of met heet water en afwasmiddel. Voor de binnenkant van de fles wordt een speciale borstel gebruikt. Hierna worden fles en speen goed gespoeld en ondersteboven op een schone doek te drogen gezet. Als fles en speen op deze wijze zorgvuldig zijn gereinigd, kan uitkoken achterwege blijven.

Voor de bereiding van kunstvoeding kan in Nederland gewoon koud leidingwater worden gebruikt, zonder het water vooraf te koken. Het water hoeft alleen op de gewenste temperatuur te worden gebracht. Het Nederlandse koude leidingwater is voldoende veilig om gebruikt te worden voor de bereiding van kunstvoeding. Het Voedingscentrum heeft een overzicht van handige tips bij het bereiden van de fles. Als de kraan niet regelmatig wordt gebruikt, is het raadzaam het water eerst even door te laten stromen. Als er in huis nog sprake is van loden leidingen, wordt geadviseerd de kunstvoeding aan te maken met water uit een fles of pak.

Gebruik van mineraalwater is overbodig. Er zijn slechts enkele mineraalwaters die aan- spraak kunnen maken op de vermelding ‘Geschikt voor de bereiding van babyvoeding’. Dat moet op de verpakking van het mineraalwater aangegeven staan (dat betekent lage gehaltes aan nitraat, nitriet, natrium en fluor). In het buitenland kan het, afhankelijk van de hygiënische omstandigheden, wel nodig zijn om het water voor de kunstvoeding vooraf te koken of om mineraalwater te gebruiken dat eveneens als het enige tijd open staat gekookt moet worden.

Het gebruik van aluminium pannen om water in te koken is geen probleem. Er zijn warenwettelijke maxima aan producten gesteld hoeveel aluminium er mag migreren in de voeding; de inname van aluminium via deze weg is derhalve minimaal, ook voor zuigelingen (EFSA, 2008).

Op de verpakking van de kunstvoeding staat hoeveel afgestreken maatschepjes poeder en hoeveel water er nodig is voor de bereiding van de fles. Deze aanwijzingen moeten goed aangehouden worden. Een extra schepje poeder of maatschepjes poeder met een ‘kopje’ erop in de fles doen lijkt onschuldig, maar kan leiden tot uitdroging en overgewicht.

Bewaren en verwarmen
In de praktijk wordt aanbevolen de voeding per fles klaar te maken. Als ze niet langer dan acht uur worden bewaard, kunnen eventueel een of twee flessen van tevoren worden klaargemaakt. Deze moeten dan wel direct na bereiding in de koelkast worden gezet en worden bewaard bij een temperatuur van maximaal 4 °C. Bereide zuigelingenvoeding liever niet langer dan een uur bij kamertemperatuur bewaren. Restjes worden weggegooid.

Het verwarmen van kunstvoeding kan au bain-marie, in een flessenwarmer of in de magnetron. De voeding moet niet hoger worden verwarmd dan de drinktemperatuur voor het kind (30-35 °C).

Het is beter om klaargemaakte voeding niet mee te geven naar het kinderdagverblijf. Tijdens het vervoer, ook in een koeltas, kan de voeding niet voldoende koud worden bewaard. Bereiding ter plekke wordt geadviseerd.

Materiaal en techniek

  • Er zijn diverse modellen spenen en flessen te koop. Spenen zijn gemaakt van latex of siliconenrubber. Siliconenspenen zijn beter schoon te maken dan latexspenen maar scheuren wel sneller. Latexspenen kunnen tot latexallergie leiden of een probleem geven bij latexallergie van de verzorger. Belangrijk bij het kiezen van een speen is de grootte van het gaatje, het materiaal en de vorm. Deze worden afgestemd op de vorm van de mond en de zuigkracht van het kind. Is het gat in de speen te groot en heeft het kind een sterke zuigkracht, dan zal er te veel melk uit de speen komen waardoor het kind zich gemakkelijk kan verslikken. Als het kind de voeding klokkend doorslikt, neemt de kans op lucht slikken toe. Een te klein gat maakt dat het kind sneller vermoeid raakt of onrustig wordt door de geringe toestroom van melk bij het zuigen. Welke vorm het beste bij het kind past, is een kwestie van uitproberen.
  • Het kind weet al in een zeer vroeg stadium het verschil tussen tepel en speen, ook als een speen zogenaamd op een borst lijkt. In de periode van het reflexmatig zuigen zijn beide technieken van zuigen mogelijk. In de periode van het willekeurig zuigen zal het kind de voorkeur geven aan die manier van zuigen die het in de eerste periode heeft geleerd.
  • Een duidelijke maatverdeling op de fles is belangrijk voor een juiste bereiding van de kunstvoeding.
  • Het geven van de kunstvoeding op schoot is gunstig voor de sociale ontwikkeling. Positieve aandacht en lichaamscontact dragen bij aan de opname van voeding (Feldman, 2004).
  • Vanaf 8-12 maanden kan de moeder het kind zoveel mogelijk uit een gewone beker laten drinken. Hiervoor is, zeker in de eerste weken, geduld en tijd voor nodig. Zie ook '(Starten met) bijvoeding' in dit thema.

Vanaf de leeftijd van zes maanden heeft een kind meer nodig dan alleen borstvoeding of volledige zuigelingenvoeding. Na zes maanden leveren borstvoeding en/of kunstvoeding alléén niet meer voldoende energie en voedingsstoffen om in de behoefte van het zich ontwikkelende kind te voorzien (Agostoni, 2008). Daarom wordt in de loop van het eerste levensjaar geleidelijk overgegaan van volledige melkvoeding naar gevarieerde voeding: melk- en bijvoeding. Bijvoeding omvat alle vaste voeding en vloeistoffen anders dan moedermelk, volledige zuigelingenvoeding of opvolgmelk (Agostoni, 2008). Rond de eerste verjaardag eet het kind ‘met de pot mee’.

De leeftijd waarop het beste met bijvoeding begonnen kan worden is al langere tijd een punt van discussie. Het Voedingscentrum adviseert, conform het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO, 1998) en de European Society for Paediatric Gastroenterology, Hepatology and Nutrition ESPGHAN (Agostoni, 2008), om gedurende zes maanden borstvoeding te geven. Zo profiteert het kind het meest van de voordelen van borstvoeding. Daarna is ook bijvoeding nodig voor de verdere groei en ontwikkeling. Volgens dit advies dient men dus te wachten met bijvoeding tot het kind zes maanden oud is. Het advies om zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven wordt ondersteund door Lanigan e.a. (2001) en Kramer e.a. (2002). In de praktijk vormen signalen als het in de mond steken van speelgoed, kauwen op de vuistjes, geïnteresseerd kijken hoe anderen eten, vaak in combinatie met een toenemende behoefte aan andere voeding, voor ouders vaak al vóór de zesde maand aanleiding om te beginnen met bijvoeding. Introductie van bijvoeding voor de leeftijd van 17 weken wordt niet aanbevolen in verband met een toegenomen risico op allergie (Agostoni, 2008), maar een recent overzichtsartikel geeft aan dat introductie van bijvoeding tussen de 17 en 26 weken ‘veilig’ is (EFSA, 2009). Verhoogde gezondheidsrisico’s op zowel de korte als de lange termijn naar aanleiding van de introductie van bijvoeding tussen de 17e en de 26e week werden niet gevonden. Dit wordt ondersteund door Quigley e.a. (2008), die geen relatie konden aantonen tussen het moment van introductie van bijvoeding en het risico op gastrointestinale en respiratoire infectie. Ook een relatie tussen een vroege introductie van bijvoeding en overgewicht op de kinderleeftijd kon niet worden aangetoond (Huh, 2011; Moorcroft, 2011). Een verbeterde ijzer- of zinkstatus door vervroegde introductie kon ook niet worden aangetoond (Kattelman, 2001).

De eerste hapjes zijn oefenhapjes. Ze zijn extra en komen niet in de plaats van borstvoeding of kunstvoeding. Het kind leert afhappen van een lepel en went aan nieuwe smaken. In het begin zijn de hapjes dik en vloeibaar, maar deze wordt langzaamaan droger en vaster. Rond de leeftijd van 8 maanden wordt begonnen met het leren kauwen: hapjes worden minder fijn geprakt en losse stukjes kunnen geleidelijk beter worden verwerkt (Leeuwenburg-Grijseels, 2008). Door te kauwen, ook al heeft het kind nog geen tanden en kiezen, leert het dat het zijn mondspieren anders moet gebruiken dan wanneer het drinkt aan de borst of uit de fles. Er zijn aanwijzingen dat kinderen die pas na de 10e maand voor het eerst voeding met grovere stukjes aangeboden krijgen, op latere leeftijd vaker moeilijke eters zijn (Northstone, 2001; Coulthard, 2009). Vanuit de praktijk wordt hierbij opgemerkt dat kant-en-klaarvoeding vaak een gladdere structuur met weinig brokken heeft en daardoor minder geschikt is voor dagelijks gebruik.

In Nederland wordt vaak gestart met gemalen fruit of groente. Het soort bijvoeding is sterk cultureel bepaald: het kan bestaan uit groente, fruit, brood, aardappel, vlees (Krebs, 2006), vis of een vleesvervanger. Bewijzen dat bepaalde voedingsmiddelen de voorkeur verdienen als eerste hapje boven andere werden niet gevonden.

Baby-led weaning (rapley-methode)

Deze methode is erop gericht om het kind zelf te laten eten, waarbij het kind zélf aangeeft wanneer het klaar is om vaste voeding te eten en in welk tempo (in het Engels: baby-led weaning) (Brown, 2011). Het voedsel bestaat hierbij uit hapklare stukken in plaats van uit een gepureerde maaltijd. Bewijs dat deze methode eetproblemen voorkomt werd niet gevonden. De projectgroep wijst erop dat het risico op verslikken kan toenemen. Ouders die deze methode willen toepassen wordt daarom aangeraden te kijken of hun kind wat betreft de mondmotoriek eraan toe is om zelf stukjes te eten en om er voortdurend bij te blijven in verband met mogelijk verslikken.

Er zijn aanwijzingen dat zowel vroege introductie (< 4 maanden) als late introductie (≥ 7 maanden) van gluten het risico op coeliakie verhoogt (Agostoni, 2008). Het risico op coeliakie lijkt bovendien af te nemen indien gluten worden geïntroduceerd als de moeder het kind borstvoeding geeft (Agostoni, 2008). De introductie van gluten vindt daarom het beste geleidelijk plaats vanaf de leeftijd van 4 maanden (zie ook de JGZ- richtlijn ‘Voedselovergevoeligheid’). Gluten zit in bijvoorbeeld brood, koekjes, pasta, pap en tarwemeel.

Daarnaast moeten de darmen van het kind langzaam wennen aan vezels in de voeding. Dit kan door het aanbieden van brood, pasta, rijst en pap met oplopend vezelgehalte, liefst terwijl het kind nog borstvoeding krijgt (Agostoni, 2008). Let ook op producten als tempé. Dit wordt gemaakt van sojabonen en is rijk aan vezels.

Overige aandachtspunten

Overige aandachtspunten bij de voeding van 0- tot 1-jarigen zijn (Agostoni, 2008):

  • Uit onderzoek blijkt dat de vetinname van kinderen van 9 maanden gemiddeld ongeveer 30 energie% bedraagt, terwijl 40 energie% wordt aanbevolen. Daarom wordt het gebruik van zachte dieetmargarine op brood en bereiding van de warme maaltijd met een vloeibare margarine of olie geadviseerd.
  • Vanwege het uitputten van de bij de geboorte meegekregen lichaamsvoorraad ijzer hebben kinderen vanaf het tweede levenshalfjaar meer ijzer nodig. Voedingsmiddelen als vlees, groente, brood en graanproducten zijn van belang voor de ijzervoorziening.
  • Kinderen jonger dan 1 jaar behoren nog geen honing te krijgen in verband met het risico op botulisme.
  • Aan de voeding wordt geen zout toegevoegd. Een hogere inname van natrium zou kunnen leiden tot een verhoogd risico op hypertensie en nierproblemen op latere leeftijd. Ons eten bevat van nature voldoende zout. Producten als seitan (eiwitrijk vegetarisch product gemaakt van tarwegluten), olijven en smeerkaas zijn van zichzelf erg zout en mogen daarom beperkt gebruikt te worden. Bij kinderen van 6 maanden tot 1 jaar liever niet meer dan 1 à 2 boterhammen per week besmeren met smeerkaas.
  • Nitraatrijke groente (spinazie, andijvie, bietjes, bleekselderij, sla, venkel en paksoi) wordt pas na de leeftijd van 6 maanden geïntroduceerd, niet vaker dan twee keer per week en niet in combinatie met vis (uitgezonderd vette vis zoals zalm en makreel). Dit geeft risico op de vorming van endogene nitrosamine, dat misschien kankerverwekkend is.
  • (Smeer)leverworst bevat veel vitamine A, waar kinderen snel te veel van binnenkrijgen. Bij kinderen van 6 maanden tot 1 jaar liever niet meer dan 1 à 2 boterhammen per week besmeren met (smeer)leverworst.
  • Voor de ontwikkeling van de smaak van het kind is variatie bij de introductie van de bijvoeding essentieel. Gevarieerd eten is de basis van een gezonde voeding. Een kind heeft een natuurlijke voorkeur voor zoet. Het zal bij de eerste hapjes vooral moeten wennen aan andere smaken dan zoet. Afwisseling van smaken verhoogt (mogelijk) de acceptatie van nieuwe voedingsmiddelen op latere leeftijd (Maier, 2008).
  • Starten met hapjes van één soort fruit of groente is belangrijk voor het kind om de verschillende losse smaken te leren kennen, herkennen en waarderen. Als hij daaraan gewend is, kan er worden afgewisseld met combinaties van smaken. Het bij herhaling (ongeveer 10 keer) aanbieden van nieuwe smaken blijkt vaker te leiden tot acceptatie, zelfs als het kind het in eerste instantie niet lijkt te lusten (Maier, 2007). Het herhaaldelijk aanbieden hoeft niet op achtereenvolgende dagen, maar kan afgewisseld worden, bijvoorbeeld door 5 smaken steeds af te wisselen, elke dag een andere en dat dan over 50 dagen (10 x per smaak). Het gaat erom dat de smaak niet weggelaten wordt uit het voedselaanbod. Borstvoeding heeft mogelijk een voordelig effect op de acceptatie van nieuwe smaken (Forestell, 2007; Maier, 2007).
  • Bij voorkeur worden de hapjes vers gemaakt. Kant-en-klaarvoeding uit een potje (fruithapje en warme maaltijd) bevat de voedingsstoffen die het kind nodig heeft, maar de smaken zijn meestal gemengd. Zo went het kind niet aan losse smaken.

Bereiden en bewaren
Kinderen hebben een aangeboren voorkeur voor voedingsmiddelen met een hoge energiedichtheid. Bij de bereiding van hapjes en maaltijden wordt geen extra suiker en zout toegevoegd. Dit zou later de voorkeur voor snoep en snacks kunnen bekrachtigen (Agostoni, 2008). Daarnaast geeft het een vergrote kans op een hoge bloeddruk en nierproblemen op latere leeftijd.

Een warm hapje moet eerst worden afgekoeld voor het bewaard kan worden in de koelkast of vriezer. Een portie groente of fruit kan afgedekt in de koelkast worden bewaard voor de volgende dag. In de vriezer is een fruit- en groentehapje drie maanden houdbaar bij een temperatuur van -18 °C.

Opwarmen kan in de magnetron, in een flessenwarmer of au bain-marie (d.w.z. door het hapje in een kom in een pan met warm, niet kokend water te plaatsen). Een ontdooid hapje kan niet opnieuw worden bewaard of ingevroren.

Het advies dat bewaren en opwarmen van nitraatrijke groenten niet gewenst is, is vervallen.

Voor het geven van bijvoeding is nodig:

  • Een lepeltje van onbreekbaar plastic of metaal.
  • Een beker van doorzichtig, flexibel plastic.
  • Eventueel kan een antilek- of tuitbeker als (tijdelijk) hulpmiddel bij de overgang van borstvoeding of zuigfles naar beker gebruikt worden.

Bijvoeding wordt vanaf het moment van introductie op schoot of in een wipstoeltje gegeven, zo kan goed gezien worden wat het kind doet tijdens het eten en drinken. Het kind wordt hierbij volledig ondersteund. Daarnaast bevordert het oogcontact de interactie tussen kind en ouder. Vanaf het moment dat het kind een stabiele en ontspannen houding tijdens de maaltijd (rond 8 maanden) kan volhouden, kan het kind in een kinderstoel (eventueel met stoelverkleiner) zitten.

Er zijn aanwijzingen dat het gebruik van een zuigfles gevuld met een vloeistof anders dan water na de 12e-14e maand gerelateerd is aan een toegenomen risico op overgewicht op de kinderleeftijd (Gooze, 2011). Het drinken uit een beker bevordert tevens het zelfstandig drinken.

Kinderen voelen zelf waarschijnlijk goed aan wanneer ze genoeg hebben gegeten (Harris, 2008). Een kind dat voortdurend meer moet eten dan het nodig heeft, heeft meer kans op overgewicht.

Er zijn aanwijzingen dat opdringen niet leidt tot meer eten, maar juist tot minder eten en achterblijven in gewicht (Galloway, 2006). Stelregel is dat de ouder bepaalt WAT en WANNEER het kind eet en het kind bepaalt HOEVEEL het eet.

Lees verder voor de onderbouwing.


Pagina als PDF