Richtlijn: Voedselovergevoeligheid (2014)

Onderbouwing

Uitgangsvraag

Bij welke anamnestische (voedings)gegevens, symptomen en afwijkingen bij lichamelijk onderzoek dient aan lactose-intolerantie gedacht te worden?

Symptomen

Conlusie
Lactose-intolerantie uit zich in maag-darmklachten als opgeblazen gevoel, flatulentie en buikpijn, en in ernstiger gevallen diarree, niet in afwijkingen bij lichamelijk onderzoek. Dit zijn echter aspecifieke klachten met zeer geringe voorspellende waarde. Lactose-intolerantie is alleen te verwachten bij personen met een hoge lactoseconsumptie (minimaal 12 g = 240 ml per dosis, 24 g = 480 ml per dag). Lactose in andere (voedings)middelen dan vloeibare zuivelproducten, zoals in pannenkoeken, tabletten en tandpasta, veroorzaakt geen intolerantie.

Symptomen en afwijkingen bij lichamelijk onderzoek. Lactosemalabsorptie leidt niet tot significante energie- of vochttekorten: het (geringe) overmatige verlies wordt gemakkelijk gecompenseerd. Er zijn dan ook geen studies die zich hebben gericht op fysieke afwijkingen die het gevolg zijn van of kunnen wijzen op lactose-intolerantie. Bij lactose-intolerantie staan de klinische symptomen op de voorgrond.

Jellema et al. (2010) onderzochten in een meta-analyse de betrouwbaarheid van klinische symptomen voor de diagnose lactose-intolerantie (Jellema et al., 2010). Noch buikpijn of diarree, noch zelfrapportage van symptomen na melkingestie bleek een betrouwbare index te zijn van lactose-intolerantie. Zelfs van ‘symptomen na lactose-ingestie’ waren sensitiviteit en specificiteit onvoldoende voor een betrouwbare diagnose van lactose-intolerantie.

De meta-analyse van Savaiano et al. richtte zich op onderzoeken waarin dubbelblinde tests waren verricht bij personen met bewezen lactosemalabsorptie, bij wie provocatie (lactoseconsumptie) werd vergeleken met placebo (Savaiano et al., 2006). Voor flatulentie, opgeblazen gevoel, buikpijn en defecatiefrequentie werden geen significantie verschillen gevonden. Alleen voor diarree werd een significant, maar zeer klein verschil in incidentie gevonden van 0,15 (95%-betrouwbaarheidsinterval 0,03-0,28). De auteurs concludeerden dat lactosegebruik geen relevante oorzaak was van symptomen bij normale lactoseconsumptie.

Verder zijn er twee Amerikaanse consensus statements verschenen: een voor de NIH en een zeer uitgebreide en diepgaande voor het Department of Health and Human Services (DHHS) (Brannon et al., 2010; Wilt et al., 2010). Beide concentreren zich op de consequenties van lactose-intolerantie voor voeding en gezondheid en volstaan met een korte beschrijving van de bijbehorende klachten: opgeblazen gevoel, flatulentie, buikpijn, diarree. Het DHHS-rapport geeft bovendien een uitstekende (narratieve) analyse van de factoren die de kans op klachten (intolerantie) bij personen met hypolactasie bevorderen, zoals de aanwezigheid van het prikkelbaredarmsyndroom (Wilt et al., 2010).

Dieetgegevens. Lactose-intolerantie is een zich tot het maag-darmstelsel beperkend probleem dat pas optreedt als de lactose-inname zowel de absorptiecapaciteit van de darm als de ‘salvage’-capaciteit van de koolhydraatfermenterende bacteriën in het colon overschrijdt (Wilt et al., 2010). Aangezien matige hoeveelheden lactose (tot 12 g per portie en tot 24 g verspreid over de dag) bij lactose-intolerante personen goed worden verdragen, kan lactose-intolerantie als oorzaak van gastro-intestinale klachten al op voorhand worden uitgesloten als de lactose-inname beneden deze waarden blijft (Wilt et al., 2010).

Leeftijd. Hypolactasie is een leeftijdsgebonden fenomeen. De incidentie van lactose-intolerantie is bij jonge kinderen van alle rassen zeer laag en blijft bij blanken laag tot op volwassen leeftijd, terwijl bij andere rassen de incidentie toeneemt op schoolleeftijd (Wilt et al., 2010). Bij jonge kinderen met maag-darmklachten hoeft dus niet aan lactose-intolerantie te worden gedacht.

Beschouwing over de diagnostiek. Naast specifieke tests als genetisch onderzoek, lactasebepaling in het darmslijmvlies en de lactose-waterstofademtest (die alle alleen geschikt zijn om lactasedeficiëntie vast te stellen, niet voor lactose-intolerantie) is de enige betrouwbare manier om lactose-intolerantie vast te stellen eliminatie van lactose uit de voeding en herintroductie ervan. De uitkomst wordt echter vaak sterk gekleurd door de verwachtingen van de patiënt. Dubbelblinde tests vallen meestal negatief uit (Gijsbers et al., 2012). Het is dus aannemelijk dat de diagnose lactose-intolerantie in de praktijk te vaak wordt gesteld (en dat de voorgeschreven dieetmaatregelen daarbij bovendien te streng zijn).

Referenties


Pagina als PDF