Richtlijn: Voedselovergevoeligheid (2014)

8. Preventie van lactose-intolerantie-Aanbevelingen

Aanbevelingen

  • Bij kinderen met lactose-intolerantie wordt aanbevolen het lactoseaanbod te beperken tot 12 g per portie en 24 g per dag (d.w.z. tot respectievelijk 240 en 480 ml melk; voor andere producten, yoghurt in de eerste plaats, gelden grotere hoeveelheden).

Toelichting

Lactose (melksuiker) is het belangrijkste koolhydraat in moedermelk en in de melk van dieren, in de eerste plaats koemelk. Het lactosegehalte in moedermelk is 70 g/l, in koemelk 50 g/l. Lactose komt niet of nauwelijks voor in andere natuurlijke producten en het lactoseaanbod is voor alle zoogdieren dus beperkt tot de zoogperiode. Lactose vormt zo een essentieel bestanddeel van de voeding van jonge zuigelingen.

Voor de vertering van lactose is een borstelzoomenzym in de darmen nodig, lactase. De splitsingsproducten glucose en galactose worden door actief transport geabsorbeerd. Na de zoogtijd daalt het lactasegehalte in de borstelzoom bij alle zoogdieren sterk. Deze ‘down-regulatie’ is genetisch bepaald. Bij de mens leidt dit tot hypolactasie of lactase non-persistence, vroeger ook wel primaire lactasedeficiëntie genoemd. De afname van het lactasegehalte begint bij verschillende rassen op verschillende tijden en verloopt met verschillende snelheden. Bij Aziatische rassen is de basale activiteit eerder (5-6 jaar) bereikt dan bij blanken met hypolactasie (20 jaar). Bij een deel van de mensheid treedt deze natuurlijke daling van het lactasegehalte niet op: lactasepersistentie. Dit wordt veroorzaakt door een mutatie (SNP) in een niet-coderend gebied in intron 13 van MCM6, C/T-13910, gelegen 13910 baseparen stroomopwaarts van het lactasegen LCT op chromosoom 2q21-22. Het normale genotype, C/C-13910, gepaard gaande met hypolactasie, komt voor bij 70% van de wereldbevolking; blanken zijn over het algemeen lactasepersistent (Jarvela, 2005).

Lactosemalabsorptie. Bij optimale lactaseactiviteit is de darm in staat om alle via de voeding aangevoerde lactose nagenoeg volledig te verteren en absorberen. Als het lactoseaanbod met de voeding de verwerkingscapaciteit (lactaseactiviteit) van de dunne darm overtreft, komt een deel van de lactose terecht in het colon, waar dit, net als alle andere koolhydraten, inclusief zetmeel en voedingsvezel, kan worden afgebroken (gefermenteerd) door de residente bacteriën (microbiota). Bij deze vergisting komt onder meer waterstof vrij, dat voor een groot deel via de longen wordt uitgeademd. Dit proces is gemakkelijk te meten; bij lactosemalabsorptie is de lactose-waterstofademtest afwijkend. Aangezien deze vergisting in principe een fysiologisch proces is, gaat lactosemalabsorptie meestal niet gepaard met klachten. Klachten ontstaan pas als de fermentatieve capaciteit van de microbiota (de colonic salvage) wordt overschreden.


Lactose-intolerantie. Lactose-intolerantie kan worden gedefinieerd als lactosemalabsorptie die gepaard gaat met klachten. De klachten van koolhydraatmalabsorptie over het algemeen berusten op de aanwezigheid van een overmaat aan onvolledig gefermenteerde koolhydraten in het colon: in minder ernstige gevallen opgeblazen gevoel, buikpijn en flatulentie, in ernstiger gevallen osmotische diarree. De relatie tussen lactosemalabsorptie en lactose-intolerantie varieert aanzienlijk van individu tot individu, maar lactose-intolerantie ontstaat over het algemeen pas bij de consumptie van 12-15 g lactose (240-300 ml melk) (Wilt et al., 2010).

Secundaire lactosemalabsorptie. Alle acute en chronische vormen van enteropathie met aantasting van de proximale dunne darm leiden tot malabsorptie van nutriënten. Van de borstelzoomenzymen is vooral lactase erg gevoelig voor de integriteit van de mucosa. Aantasting van de mucosa leidt snel tot daling van de lactaseactiviteit en tot lactosemalabsorptie. Bij acute pathologie, zoals acute gastro-enteritis, herstelt de absorptiecapaciteit zich even snel als het darmslijmvlies. Bij chronische pathologie, zoals coeliakie, treedt meestal compensatie op door hypertrofie van vlokken en toegenomen lactaseactiviteit meer distaal in de darm. Secundaire lactosemalabsorptie is dan ook zelden of nooit een klinisch relevant probleem. Klachten worden voornamelijk veroorzaakt door de onderliggende ziekte.

Lees verder voor de onderbouwing.


Pagina als PDF