Richtlijn: Vroeg en/of small voor gestational age (SGA) geboren kinderen (2013)

Inleiding

Aanleiding

In Nederland werden in 2008 in totaal 13.649 kinderen (7,7% van alle pasgeborenen) te vroeg (zwangerschapsduur < 37,0 weken) geboren en 1,5% van alle pasgeborenen werd bij een zwangerschapsduur van < 32,0 weken geboren. 1,4% van de geboren kinderen heeft een geboortegewicht van minder dan 1500 gram (Stichting Perinatale Registratie Nederland (PRN), 2011a). Ongunstige zwangerschapsuitkomsten, waaronder vroeggeboorte, komen vaker voor bij niet-Westerse allochtone vrouwen en vrouwen met een lage sociaaleconomische status (Ravelli, 2011). Tevens worden ongunstige zwangerschapsuitkomsten vaker gezien in grote steden en in achterstandswijken van grote steden, onafhankelijk van het land van herkomst van de zwangere vrouw. Daarachter ligt een bundeling van risicofactoren van minder goede sociale omstandigheden (De Graaf, 2008). Daarnaast hangen ongunstige zwangerschapsuitkomsten, zoals vroeggeboorte, samen met leefstijlfactoren (zoals roken en alcoholgebruik tijdens de zwangerschap), karakteristieken van de zwangerschap en medische voorgeschiedenis.

Van de pasgeborenen met een geboortegewicht onder de 1500 gram is het merendeel tevens te vroeg geboren. Veel van deze kinderen hebben ook een intra-uteriene groeiachterstand, dat wil zeggen een geboorte gewicht dat te laag is voor de zwangerschapsduur. Deze kinderen ondervinden de meest ernstige gevolgen. In de periode van 1999 tot 2008 zijn het aantal vroeggeboortes en het gemiddelde geboortegewicht van alle levend- en doodgeboren kinderen in Nederland ongeveer gelijk gebleven (PRN, 2011b). Voor een overzicht van de gevolgen van vroeggeboorte kan ook het TNO-rapport ‘Vroeggeboorte in Nederland’ (Van der Pal, 2012) geraadpleegd worden.

Van de zuigelingen die geboren worden na een zwangerschapsduur van minder dan 32 weken en de zuigelingen met een laag geboortegewicht voor de zwangerschapsduur sterft een aanzienlijk percentage in de perinatale periode. De perinatale sterfte (1 tot 7 dagen na geboorte) bij pasgeborenen met een zwangerschapsduur tussen de 22+0 en 32+0 weken was (in 2008) 34,5% en bij pasgeborenen met een zwangerschapsduur tussen de 32+0 en 37+0 weken 2,1%, terwijl de perinatale sterfte bij pasgeborenen die rond de uitgerekende datum geboren worden 0,29% is (PRN, 2011a). Nu de nieuwe behandelrichtlijnen voor vroeggeborenen jonger dan 25 weken landelijk geaccepteerd zijn (NVK, NVOG, 2010), zal het aantal kinderen dat te vroeg geboren wordt en in leven blijft (met eventuele beperkingen) toenemen. De afgelopen jaren is de perinatale sterfte bij geboorte vanaf 28 weken zwangerschapsduur aanmerkelijk gedaald (PRN, 2011b), waardoor steeds meer kwetsbare zuigelingen nazorg en follow-up nodig hebben. Veelal bestaat een verhoogd gezondheidsrisico, zodat een deel van de nazorg voor deze groep zuigelingen door de kinderarts in het ziekenhuis wordt verleend.

Onafhankelijk van zwangerschapsduur en geboortegewicht wordt aan alle kinderen de preventieve zorg door de JGZ aangeboden, zoals beschreven in het basistakenpakket (ministerie van VWS 2002, tevens het advies daarop: ‘Een stevig fundament’, 2013). In geval van opname op een NICU (neonatale intensive care unit) of zuigelingenafdeling zal veelal de kinderarts van het ziekenhuis waaruit het kind is ontslagen, de groei en gezondheid van het kind volgen in verband met een verhoogd gezondheidsrisico voor deze kinderen (zie vroegsignalering in thema 2 van deze richtlijn). De frequentie van controles en de duur van dit nazorgtraject door de kinderarts hangen af van de mate van vroeggeboorte en/of groeiachterstand en de bijkomende lichamelijke en neurologische gezondheidsproblematiek.
Voor kinderen geboren na een zwangerschapsduur van minder dan 32+0 weken en/of een geboortegewicht van <1000/1500 gram is een ontwikkelingsfollow-uptraject in gebruik door kinderartsen (neonatologen), (kinder)fysiotherapeuten en psychologen van de 10 Nederlandse NICU’s, zoals beschreven door de werkgroep Landelijk Neonatale Follow-up (LNF, http://landelijkeneonatalefollowup.nl/). Deze followup van het neurologisch, sociaal-emotioneel, mentaal en motorisch functioneren van het kind geschiedt in ieder geval tot de leeftijd van ongeveer 2 jaar, maar bij de meeste NICU’s tot 5 jaar. Daarbij kunnen ook (kinder)revalidatieartsen, maatschappelijk werkers, pre-logopedisten, gz-psychologen, (ortho)pedagogen en andere (medisch) specialisten worden ingeschakeld. Deze follow-up vanuit de NICU’s is in de eerste plaats bedoeld voor vroegopsporing van ontwikkelingsproblemen ten behoeve van ondersteuning aan kind en ouders, maar heeft ook een wetenschappelijk doel, namelijk doorlopende evaluatie van het neonatologisch handelen.

De kinderen die geboren worden na een zwangerschapsduur tussen de 32+0 en 36+6 weken en/of small for gestational age (SGA) geboren kinderen met een geboortegewicht van 1500 tot 2500 gram komen in de meeste gevallen op controle bij de kinderarts van het perifere ziekenhuis voor nazorg en een minder precies omschreven follow-uptraject als dat van het LNF. Ook bij deze kinderen kan echter problematiek ontstaan waarvoor zo nodig begeleiding van andere specialisten/hulpverleners ingeschakeld wordt. Zij komen soms alsnog in het meer nauw omschreven LNF-follow-uptraject terecht. Daarom krijgen ook deze kinderen vaak een gedeelde (na)zorg door de kinderarts en andere specialisten of hulpverleners en de JGZ. Bij een deel van deze ‘matig’ te vroeg en/of SGA geboren kinderen bestaat de kans dat zij ontslagen worden van nacontroles bij de kinderarts, terwijl pas later (bijvoorbeeld na de leeftijd van 2 jaar of op de schoolleeftijd) gezondheids- en/of ontwikkelingsproblematiek ontstaat of zichtbaar wordt.

Bij alle te vroeg of SGA geboren kinderen heeft de JGZ, naast de programmatische preventieve zorg, eveneens een zorgtaak voor vroegsignalering, het laagdrempelig en dicht bij huis aanbieden van hulp en interventie, en het door- of terugverwijzen naar de kinderarts. Het mag echter duidelijk zijn uit het voorgaande dat deze taak afgestemd moet worden met de pediatrische zorg in de lokale ziekenhuizen en in de NICU-centra. Onderlinge communicatie is nodig en alle betrokken partijen dienen te beschikken over voldoende specifieke kennis van de begeleiding van vroeg en/of SGA geboren kinderen.

Definities en begrippen

Vroeg (prematuur) geboren kinderen
Vroeg/prematuur geboren kinderen zijn kinderen geboren na een zwangerschapsduur (of gestational age (GA)) van minder dan 37 weken. Het aantal weken zwangerschapsduur wordt weergegeven als het aantal volledige weken + het aantal dagen in de laatste (niet-volledige) week. Dat wil zeggen: 32 weken wordt aangegeven als 32+0, waarbij bedoeld wordt 32 weken en 0 dagen.

SGA (dysmatuur) geboren kinderen
SGA geboren kinderen zijn kinderen die bij de geboorte een te laag geboortegewicht hebben voor de zwangerschapsduur (SGA staat voor small for gestational age), dat wil zeggen met een groeirestrictie (geboortegewicht ten opzichte van zwangerschapsduur < -2 SDS). Aangezien ‘dysmaturiteit’ een verouderde term is en men mondiaal spreekt over ‘small for gestational age is voor deze richtlijn gekozen voor de term SGA.

Doel en doelgroep van de richtlijn

Het doel van de richtlijn is allereerst het optimaliseren van de (na)zorg aan risicopasgeborenen en hun ouders door middel van uniforme begeleiding en advisering, signalering van mogelijke problemen en tijdige doorverwijzing. Het uiteindelijke doel is het voorkómen van (secundaire) gezondheids- en ontwikkelingsschade en het op tijd inzetten van gepaste interventies. Om de continuïteit te waarborgen in de (na)zorg voor vroeg en/ of SGA geboren kinderen en hun ouders zijn goede afspraken noodzakelijk tussen JGZ, kinderartsen (follow-uppoliklinieken) en huisartsen. De richtlijn maakt hiertoe gebruik van het rapport van de NVK en AJN ‘Samenwerken en afstemmen’ (NVK, AJN, 2009) en van verschillende lokale of regionale protocollen. Daarnaast is een belangrijk doel van de richtlijn het vergroten van de kennis van zorgverleners in de JGZ (0-4 jaar) omtrent risicopasgeborenen en de nazorg.

De JGZ-richtlijn ‘Te vroeg en/of small for gestational age (SGA) geboren kinderen’ is primair bedoeld voor (jeugd)artsen, (jeugd)verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten en doktersassistenten werkzaam in de JGZ (vooral met de doelgroep 0-4 jaar). De richtlijn is tevens bestemd voor andere professionals die betrokken zijn bij de nazorg van vroeg en/ of SGA geboren kinderen en hierin samenwerken met de JGZ. Hierbij zijn voornamelijk de overdracht door de kinderarts aan de JGZ en de eventuele overdracht vanuit de JGZ 0-4 jaar aan de JGZ 4-19 jaar van belang, evenals de communicatie en terugverwijzing vanuit de JGZ naar de kinderarts.

Belang van de richtlijn

Sinds ruim 15 jaar trachten kinderartsen en JGZ een modus te vinden waarin de (na)zorg van vroeg en/of SGA geboren kinderen beter gestroomlijnd wordt en beter aansluit bij de wensen van de ouders. In 1997 is met het ‘Protocol nazorg pre- en/of dysmature zuigelingen en andere pasgeborenen met een potentieel gezondheidsrisico’ (NVK, NVJG, 1997) een poging gedaan de (na)zorg te verbeteren. Dit protocol uit 1997 is niet actief geïmplementeerd. De overdracht van gegevens en het maken van afspraken door de diverse zorgverleners blijken nog steeds bij herhaling niet goed te verlopen. Bovendien zijn adviezen vaak niet op elkaar afgestemd. Zowel hulpverleners als ouders geven aan dat zij dit graag willen verbeteren (Van der Pal & Buitendijk, 2009). Door het ontwikkelen van deze richtlijn beoogt men duidelijke afspraken te maken over de te verlenen zorg, uitgaande van de ervaren knelpunten. Implementatie en het analyseren van knelpunten bij een landelijke implementatie zijn noodzakelijk voor het daadwerkelijke gebruik van de richtlijn in de JGZ en inbedding in de reguliere zorgmomenten.

Afbakening

Deze JGZ-richtlijn is gericht op de (na)zorg van vroeg (< 37+0 weken) en/of SGA (<-2 SDS geboortegewicht t.o.v. zwangerschapsduur) geboren kinderen door de JGZ in samenwerking met kinderartsen en andere professionals. De richtlijn bestrijkt de periode van geboorte tot 4 jaar (inclusief, indien van toepassing, de overdracht aan JGZ 4-19 jaar). Ten opzichte van de soms ingrijpende periode in het ziekenhuis beschrijft de richtlijn het ‘nazorg’traject. Voor de JGZ begint echter bij ontslag uit het ziekenhuis de zorg pas. Om deze reden is ervoor gekozen om in de titel van de richtlijn niet het woord ‘nazorg’ op te nemen.


Pagina als PDF