Richtlijn: Kindermishandeling (2016)

Onderbouwing

In 2013 is de Wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling ingevoerd voor alle professionals die met ouders en/of jeugdigen werken in de (jeugd)gezondheidszorg, de jeugdhulp, het onderwijs, de kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning of justitie. De wet verplicht organisaties en zelfstandige beroepskrachten om een meldcode over huiselijk geweld en kindermishandeling vast te stellen en het gebruik daarvan te bevorderen. Deze wet geldt dus ook voor JGZ-professionals. Dit thema is gebaseerd op de wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en in het verlengde daarvan de V&VN Meldcode (2011) en KNMG-meldcode (2014) die ook door de NVDA gevolgd wordt.

De Wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling

De Wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling vormt het kader waarbinnen de JGZ-professional handelt naar aanleiding van geconstateerde signalen van en risicofactoren voor kindermishandeling. In deze richtlijn volgen we deze wet en in dit thema worden de stappen beschreven die deel uit moeten maken van een meldcode kindermishandeling.

Een meldcode is een vijfstappenplan waarin staat wat een professional moet doen bij een vermoeden van huiselijk geweld (waaronder partnergeweld) of kindermishandeling. De stappen hoeven niet per se in volgorde afgelopen te worden of afgerond te worden voor een volgende stap. Het spreken van ‘stappen’ is daarom enigszins verwarrend. Een meldcode leidt de professional door het proces vanaf het eerste vermoeden tot aan het moment dat hij of zij moet beslissen over hulpverlening of het doen van een melding bij Veilig Thuis. Evaluatie heeft uitgewezen dat professionals die werken met een meldcode, drie keer vaker interveniëren dan collega’s die dit niet gebruiken (Doeven, 2008). De wet schrijft voor dat een meldcode minimaal de volgende onderdelen (stappen) moet bevatten:

  1. In kaart brengen van de situatie (signalen, risico- en beschermende factoren).
  2. Overleggen met een collega, interne of externe deskundigen, Veilig Thuis.
  3. Gesprek met ouder en/of jeugdige.
  4. Wegen van huiselijk geweld of de kindermishandeling, bij twijfel altijd Veilig Thuis raadplegen.
  5. Beslissen: zelf hulp organiseren of melden.

Verder moet een meldcode aan de volgende minimumeisen voldoen:

  • Er moet een verantwoordelijkheidsverdeling zijn voor de diverse groepen medewerkers binnen de organisatie, zie Thema 3.
  • Er moet specifieke aandacht zijn voor bijzondere vormen van geweld die speciale kennis en vaardigheden van het personeel vereisen (bijvoorbeeld eer-gerelateerd geweld en vrouwelijke genitale verminking).
  • Er moet indien van toepassing overwogen worden om een case te registreren in de Verwijsindex Risicojongeren (VIR).
  • Er moet specifieke aandacht zijn voor het omgaan met vertrouwelijke gegevens.

De onderdelen (stappen) van een meldcode kindermishandeling en de stap daarvoor worden in de onderbouwing van Thema 3 toegelicht en toegepast op de JGZ-praktijk.

Verantwoordelijkheidsverdeling binnen de JGZ
De JGZ-professional houdt zich bezig met kindermishandeling op vier preventieniveaus (Kamphuis, Sachse, & Schwarte, 2014):

  • Universele preventie: gericht op gehele populaties of delen daarvan, er zijn geen signalen of vermoedens van kindermishandeling, de JGZ geeft algemene opvoedingsadviezen.
  • Selectieve preventie: gericht op (wetenschappelijk onderbouwde) risicogroepen die een verhoogde kans hebben op kindermishandeling zoals tienermoeders, ouders in (v)echtscheiding, ouders met een psychiatrisch probleem of (licht) verstandelijkebeperking (zie Thema 2 en 9). Er zijn nog geen signalen of vermoedens. De JGZ biedt gerichte adviezen en begeleiding zoals in Voorzorg en Stevig Ouderschap.
  • Geïndiceerde preventie: er zijn signalen die kunnen duiden op kindermishandeling en de JGZ-professional gaat na wat verklaringen zijn voor hetgeen zij constateert, vraagt zo nodig advies bij Veilig Thuis, forensische expertise en andere professionals, beslist of de meldcode in werking moet treden resulterend in een melding en/of hulp (organiseren).
  • Zorg gerelateerde preventie: er is sprake van (sterke vermoedens of verdenking van) kindermishandeling en hulpverlening gericht op veiligheid en herstel is in gang gezet, in vrijwillig dan wel verplicht kader. De JGZ-professional monitort de situatie in samenwerking met Veilig Thuis en andere professional.

Binnen de JGZ-organisatie werken de diverse JGZ-disciplines als een team samen (zelfsturend of met leidinggevende of teamcoördinator). Dit zijn: de jeugdarts, de jeugdverpleegkundige, verpleegkundig specialist en de doktersassistent/CB-assistent. Tevens kunnen er werkzaam zijn: gedragswetenschapper, pedagoog of pedagogisch medewerker, opvoedadviseur, logopedist en soms voorlichters eigen taal en cultuur. Iedere JGZ-organisatie heeft bovendien een of meerdere aandachtsfunctionarissen kindermishandeling.

De aandachtsfunctionaris kindermishandeling is een JGZ-professional in de organisatie of team waarbinnen de JGZ werkzaam is, met deskundigheid op het gebied van kindermishandeling. De aandachtsfunctionaris heeft een adviserende rol richting de beleidsontwikkeling en een coachende en ondersteunende rol bij de uitvoering van de stappen van de meldcode bij een vermoeden van kindermishandeling of huiselijk geweld. Ook kan de aandachtsfunctionaris kennis- en beleidshiaten signaleren en hier actie op ondernemen in de vorm van scholing en beleidsafspraken intern en extern. Dit is te lezen op de website van de Landelijke Vakbond van Aandachtsfunctionarissen Kindermishandeling (LVAK): http://www.lvak.nl/over_de_aandachtsfunctionaris.html; 2015).

Alle beroepsgroepen kunnen signalen van en risicofactoren voor kindermishandeling opmerken en hebben daar een verantwoordelijkheid in. Deze signalen en factoren dienen altijd in het team en met de aandachtsfunctionaris kindermishandeling besproken te worden. Daar wordt bepaald wat het vervolg is en wie de zorgen op welke manier bespreekt met de ouders en/of de jeugdige. In acute levensbedreigende situaties, bij een melding bij Veilig Thuis, en bij gevaar voor de JGZ-professional zelf is het aan te bevelen ook de teamcoördinator of manager te informeren.

Stap 0: overweeg altijd: kán er sprake zijn van kindermishandeling?

Aan stap 1 van de meldcode gaat in feite een ‘Stap 0’ vooraf. Dit is geen officiële stap uit de meldcode, maar wel belangrijk om expliciet te doorlopen: wanneer je gedragingen, fysieke kenmerken en factoren constateert die een signaal van kindermishandeling kunnen zijn en/ of er eventueel ook anderen zich zorgen maken, is het van belang dat je nagaat of kindermishandeling een van de verklaringen kan zijn. De signalen van kindermishandeling zijn immers aspecifiek, dat wil zeggen: ze kunnen ook op andere problematiek duiden (zie Thema 2). Deze alertheid op mogelijke signalen van kindermishandeling moet behoren tot de basishouding van iedere professional.

Bij ieder contactmoment in de JGZ wordt gevraagd hoe het met de jeugdige gaat. Indien de voorgeschiedenis en de huidige situatie daar aanleiding toe geeft, dien je actief door te vragen naar de veiligheid in het gezin, in het verleden, heden en toekomst. Er is in Nederland geen standaard voor dit doorvragen. Ervaring met kindermishandeling in de eigen jeugd van de ouder wordt standaard nagevraagd bij het contactmoment twee weken na de geboorte. Belangrijk is dát veiligheidsthema’s zoals partnergeweld of het hanteren van conflicten aan bod komen, zodat daarop doorgevraagd en -gesproken of later op teruggekomen kan worden. Doe dat in neutrale bewoordingen, bijvoorbeeld: Hebben jullie wel eens ruzie? Wat gebeurt er dan? Hoe lossen jullie dat op? Wat doe je als je kind zo’n driftbui heeft, hoe ga je daar mee om?
Het vragen ernaar normaliseert bovendien het praten over veiligheid in het gezin, ook al is dat op een ander moment, en leidt op zichzelf tot bewustwording bij betrokkenen.
Naar voorbeeld van de richtlijn When to suspect child maltreatment van het Britse National Institute for Health and Care Excellence (2009) maken we onderscheid tussen het in overweging nemen (‘consider’) van kindermishandeling en het vermoeden of verdenken (‘suspect’) van kindermishandeling. Dat wil zeggen:

  • overwegen: kindermishandeling kan een verklaring zijn voor hetgeen geconstateerd is; op basis van gevonden verklaringen kan de uitkomst zijn dat in het geheel geen sprake is van kindermishandeling of dat een derde – dus niet de (verzorgende) ouders – daarvan de pleger is;
  • vermoeden of (sterker:) verdenken: er zijn sterke aanwijzingen voor kindermishandeling maar dit kan (nog) niet aangetoond worden.

In Thema 2 is op basis van wetenschappelijke literatuur een aantal signalen genoemd. Overzichtslijsten van signalen zijn echter nooit uitputtend en de signalen van kindermishandeling zijn aspecifiek, dat wil zeggen: ze kunnen ook op andere problematiek duiden. Bij het beoordelen of gedragingen, uiterlijke kenmerken, letsel etc. een signaal van kindermishandeling zijn, moet de JGZ-professional nagaan in welke richting de verklaringen wijzen en of die daarvoor passend zijn. Hij doorloopt dan de volgende stappen.

1. De JGZ-professional overweegt kindermishandeling en vraagt bij de ouders na wat verklaringen kunnen zijn voor hetgeen hij bij de jeugdige of omgeving geconstateerd heeft. Een overweging wordt een vermoeden of verdenking van kindermishandeling wanneer deze verklaringen (richtlijn When to suspect child maltreatment van het National Institute for Health and Care Excellence, 2009):

  • niet passend zijn;
  • niet aannemelijk zijn;
  • niet consistent zijn
    - ten aanzien van de jeugdige zelf:
    hoe de jeugdige zich presenteert;
    hoe de jeugdige zich medisch presenteert;
    wat de jeugdige normaliter doet;
    wat de jeugdige zelf zegt;
    in relatie tot (ontwikkelings)leeftijd;
    - tussen ouders onderling;
    - in de tijd;
  • voortkomen uit (culturele of religieuze) overtuigingen maar niet stroken met de veiligheid van jeugdigen (bijvoorbeeld wanneer het slaan van jeugdigen wordt verklaard vanuit het geloof).

2. Wanneer de JGZ-professional geen andere passende verklaringen vindt voor hetgeen hij of zij geconstateerd heeft bij de jeugdige, de zorgen blijven bestaan en er om die redenen een vermoeden of verdenking van kindermishandeling ontstaat, treedt de meldcode in werking.

Stap 1: de situatie in kaart brengen, exploratiefase

Doe dit in beginsel altijd in overleg met en bij voorkeur in het bijzijn van de ouders tenzij er gegronde redenen zijn om daar van af te wijken (bijvoorbeeld wanneer daarmee reëel gevaar dreigt voor de jeugdige anders dan die welke er sowieso zou bestaan in verband met kindermishandeling). Als er al een dossier bestaat of gegevens van externe professionals zijn overgedragen, ga dan na op welke terreinen er informatie ontbreekt (zie figuur 3.1) en hoe dit aangevuld kan worden, wie daarvoor benaderd moet(en) worden om een totaal beeld van de situatie te verkrijgen. Voorkom zoveel mogelijk dat ouders en jeugdigen hun verhaal meerdere keren moeten vertellen. Informatie kan verkregen worden via:

  • bestaande dossiers
  • navraag bij betrokkenen (ouders en zo mogelijk jeugdige, sociaal netwerk)
  • andere professionals (mogelijk via de Verwijsindex Risicojongeren als zij daarbij zijn aangesloten)
  • observaties
  • vragenlijsten, checklists

Ga na: wat is er aan de hand? Waaruit bestaan de zorgen en zijn deze levensbedreigend of niet, is er acuut gevaar? Welke risico’s bestaan er, wat is er nodig voor de jeugdige en ouders? Daarvoor is inzicht nodig in de gezinssituatie en het systeem daaromheen, de ouders als opvoeders en als persoon, de veiligheid binnen het gezin, de veiligheid van broertjes en zusjes, de ouder-kindrelatie evenals kennis van de ontwikkeling van de jeugdige en mogelijke psychische, fysieke en sociale problemen.

Naast inzicht in de dingen die niet goed gaan, is het voor het succes van de begeleiding of behandeling belangrijk te weten wat er wél goed gaat in het gezin en met de jeugdige, wat krachten van het gezin en het netwerk zijn die (kunnen) zorgen voor veiligheid, wat beschermende factoren zijn (zie Thema 2) en wat de mening van ouders en zo mogelijk de jeugdige is.  

De onderstaande figuur geeft schematisch de domeinen en aspecten weer die nader in kaart gebracht moeten worden bij een vermoeden of verdenking van kindermishandeling. Daarbij is gebruik gemaakt van het ‘assessment-model’ zoals door de Gezondheidsraad (2011) is weergegeven, aangevuld met elementen uit het Framework for the Assessment of Children in Need and their Families (Department of Health, 2000, in Ten Berge et al., 2012). Aan de basis ligt Bronfenbrenners’ Ecologisch model van gedragsverandering (1979; 2000).

Figuur 3.1. In kaart brengen van de situatie bij zorgen of vermoedens van kindermishandeling

Alle bevindingen bij dit verzamelen van informatie moeten zo objectief en concreet mogelijk vastgelegd worden in het dossier (dus: “Moeder is drie nachten in de week bij haar vriend, Pietje is dan alleen thuis en gaat zelfstandig naar school, moeder weet niet of hij ontbijt”). Eventuele verklaringen voor letsel, gedrag, psychische gesteldheid, veronderstellingen, overwegingen of hypothesen worden concreet weergegeven met vermelding van de bron (“Volgens …”). Zie ook Thema 6.

Hierna bespreken we kort de verschillende domeinen en aspecten van deze exploratiefase.

Kijk naar de veiligheid
In deze paragraaf wordt onderscheid gemaakt tussen risicotaxatie en veiligheidstaxatie.

Inschatten mate van veiligheid
Het doel van veiligheidstaxatie is om na te gaan in hoeverre er actueel, dus op dit moment, bedreigingen zijn in de veiligheid of ontwikkeling van de jeugdige. Leidend zijn daarbij de volgende vragen (Ten Berge et al., 2012):

  • Is er sprake van acuut of direct gevaar voor de jeugdige?
  • Is er sprake van bedreigend nalaten of handelen van de ouders?
  • Zijn er signalen bij de jeugdige die wijzen op kindermishandeling?
  • Welke gevolgen heeft de kindermishandeling voor de jeugdige?

Ga ook na welke gevolgen voor de veiligheid van de jeugdige er mogelijk zijn door in te grijpen in het gezin.

Voor het vaststellen van de fysieke en emotionele veiligheid zijn er checklists zoals (het eerste deel van) het Licht Instrument Risico-inschatting Kindveiligheid (LIRIK) (Nederlands Jeugdinstituut, 2014) en de Delta veiligheidslijst (PI Research & Van Montfoort, 2009).
Deze checklists gaan aspecten na zoals:

  • fysieke, emotionele en/of seksuele mishandeling of misbruik;
  • basale verzorging en bescherming;
  • de affectieve relatie tussen ouder en jeugdige;
  • regelmaat, structuur en continuïteit in het gezin en huishouden;
  • toezicht van een volwassene;
  • het gevoel van veiligheid bij de jeugdige zelf;
  • veranderingsmogelijkheden van de ouders;
  • de kwaliteit van en steun uit het sociaal netwerk.

Verder worden in de oplossingsgerichte benadering Signs of SafetyTM (Turnell & Edwards, 1999) zogenaamde schaalvragen gebruikt door zowel professionals als in gesprek met de ouders en jeugdige(n), bijvoorbeeld: ‘Geef aan op een schaal van 0 tot 10 hoe veilig het naar jouw idee is. Daarbij betekent 10 dat de zaak kan worden afgesloten omdat iedereen weet dat de situatie veilig is voor de jeugdigen; 0 betekent dat het zó onveilig is voor de jeugdigen dat ze (direct) uit huis geplaatst moeten worden.’
Schaalvragen zijn echter niet als een eigenstandig instrument voor veiligheids- en risicotaxatie te gebruiken omdat zij daarvoor onvoldoende informatie geven.

Inschatten risico op (herhaalde) kindermishandeling
Risicotaxatie heeft als doel mogelijke toekomstige risico’s in kaart te brengen zodat met effectieve hulp de kans op (herhaling van) kindermishandeling verkleind kan worden. Bij risicotaxatie wordt een inschatting gemaakt van kindermishandeling in de (nabije) toekomst of van de kans op herhaling. Risicotaxatie geeft antwoord op de vragen:

  • Wat kan er gebeuren?
  • Hoe waarschijnlijk is het dat dit gebeurt?
  • Hoe ernstig is het als dit gebeurt?

In de JGZ worden momenteel alleen instrumenten gebruikt die gericht zijn op risico’s en beschermende factoren voor ongunstige opgroei-omstandigheden in het algemeen (dus niet specifiek voor kindermishandeling). Het betreft de volgende instrumenten (zie ook JGZ-Richtlijn Opvoedingsondersteuning (Oudhof et al., 2013), JGZ-richtlijn Vroegsignalering van psychosociale problemen (Postma, 2008) en Thema 7):

  • Het Balansmodel (Bakker, Bakker, Van Dijk, & Terpstra, 1998) is in vrijwel alle JGZ-instellingen in gebruik en biedt een afwegingskader om de verhouding van draaglast en draagkracht bij ouders in te schatten. De kern van het Balansmodel bestaat uit een overzicht van risico- en beschermende factoren op drie niveaus: die van het gezin, de directe omgeving en maatschappelijke context waarbij de draagkracht en draaglast van het gezin ten aanzien van deze factoren moet worden afgewogen. De risico- en beschermende factoren die in de onderhavige richtlijn worden genoemd (Thema 2) vervangen echter de factoren die in het Balansmodel van 1998 en in de aangepast versie in de JGZ-Richtlijn Secundaire Preventie Kindermishandeling (2010) worden genoemd. Het principe dat bij afwegingen rondom (de impact van) kindermishandeling en noodzakelijke hulp, zowel risico- als beschermende factoren meegenomen moeten worden, blijft overeind.
  • Het DMO-Protocol (Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Amsterdam) behorend bij Samen Starten is in diverse JGZ-regio’s 0-4 in gebruik. Er is geen publicatie van het DMO protocol, maar informatie is te vinden op www.dmo-protocol.nl. Het DMO-Protocol is een gespreksprotocol waarin er aandacht is voor de gezins- en omgevingsfactoren die een rol spelen bij de psychosociale ontwikkeling van jonge kinderen. Het protocol beslaat vijf domeinen: welbevinden kind, welbevinden ouder, rol partner, sociale steun en obstakels. Er zijn aanwijzingen dat er met het DMO-Protocol meer en eerder (risico’s voor) sociaal-emotionele problematiek worden gesignaleerd tussen 2 en 18 maanden (klein significant effect) (Hielkema, De Winter, De Meer, & Reijneveld, 2011).
  • SPARK (Structured Problem Analysis of Raising Kids) (Staal & Van Stel, 2012; Staal, Hermanns, Schrijvers, & Van Stel, 2013; Van Stel, Staal, Hermanns, & Schrijvers, 2013) wordt in enkele JGZ-regio’s 0-4 gebruikt. De SPARK is een gestructureerde gesprekslijst om opvoed- en ontwikkelingsproblemen bij peuters vroegtijdig te kunnen signaleren en de bijpassende zorgbehoefte met ouders te bespreken. De SPARK geeft een indicatie of een kind een laag, verhoogd of hoog risico op opvoed- en ontwikkelingsproblemen heeft. De SPARK kan blijkens onderzoek meldingen van kindermishandeling binnen anderhalf levensjaar bij het AMK en opvoedingsproblemen bij peuters voorspellen (Staal et al., 2013).
  • De vragenlijst bij Stevig Ouderschap (Bouwmeester-Landweer, 2006) screent ouders met een pasgeborene of zij in aanmerking komen voor het programma Stevig Ouderschap. Deze vragenlijst heeft een goede voorspellende waarde voor latere problemen in gezinnen (Landsmeer-Beker & Bouwmeester-Landweer, 2004). Dit programma bestaat uit zes preventieve huisbezoeken, die worden afgelegd door een jeugdverpleegkundige in gezinnen gedurende de eerste 18 maanden na de geboorte. Stevig Ouderschap is bedoeld voor gezinnen met een verhoogd risico op opvoedingsproblematiek. Het programma Stevig Ouderschap is effectief op een aantal uitkomsten (Bouwmeester-Landweer, 2006).
  • De criteria bij VoorZorg selecteren zwangeren die in aanmerking komen voor het programma VoorZorg dat bestaat uit huisbezoeken van een gespecialiseerde jeugdverpleegkundige, beginnend tijdens de zwangerschap en tot tweejarige leeftijd van het kind. De doelgroep betreft (hoogrisico) jonge vrouwen (tot 25 jaar) die in verwachting zijn van hun eerste kind en verschillende problemen hebben. Het programma VoorZorg is effectief op een aantal uitkomsten (Mejdoubi, 2014).
  • GIZ (Gezamenlijk Inschatten Zorgbehoefte), ontwikkeld door de GGD Hollands Midden (Bontje, 2013), is een integrale taxatiemethodiek waarmee de JGZ-professional samen met ouders en jeugdigen (en eventueel andere professionals) de krachten, ontwikkel- en zorgbehoeften snel in kaart kan brengen. GIZ is gebaseerd op de Engelse CAF-driehoek (Common Assessment Framework; Department of Health, 2000). GIZ wordt goed gewaardeerd door ouders en er zijn aanwijzingen dat de methodiek helpt bij het versterken van de zelfsturing en het zelfinzicht van ouders en bij het verbeteren van de analyse en inschatting van hun zorgbehoeften (Bontje, 2013).

Er zijn drie risicotaxatie-instrumenten die zich specifiek richten op kindermishandeling maar deze zijn nog in onderzoek en/of worden vrijwel niet in de JGZ gebruikt:

  • De CARE-NL is een gestructureerd risicotaxatie-instrument voor de beoordeling van het risico van Kindermishandeling (Nederlandse versie door De Ruiter & De Jong, 2005). De CARE-NL wordt bij Veilig Thuis gebruikt. De Ruiter, De Jong, en Reus (2013) hebben een verkennend onderzoek gedaan naar de CARE-NL en concluderen dat dit instrument mogelijk bijdraagt aan een meer gestructureerde inschatting van de risico’s, hoewel hun bevindingen ook laten zien dat mensen die de CARE-NL gebruiken nog steeds belangrijke risicofactoren onderbelichten.
  • De Mini-CARE bestaat uit een zelfrapportagelijst voor ouders en een observatielijst voor jeugdverpleegkundigen. De Mini-CARE blijkt verwijzingen naar hulpverlening en contacten met het AMK gedurende een follow-up periode van 18 maanden te kunnen voorspellen (De Ruiter, 2014).
  • LIRIK (Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid, Ten Berge, Eijgenraam, & Bartelink, 2014), is een checklist voor vermoedens van kindermishandeling of anderszins onveilige opvoedingssituaties, en het inschatten van het risico op kindermishandeling in de nabije toekomst in gezinnen met een of meerdere kinderen van 0 tot 23 jaar. Uit onderzoek van Bartelink, Kwaadsteniet, Ten Berge, Witteman, en Van Gastel (2015) van het Nederlands Jeugdinstituut en de Radboud Universiteit Nijmegen blijkt dat de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid en voorspellende waarde van de LIRIK onvoldoende zijn om de huidige veiligheid van een kind te beoordelen of een risico-inschatting voor de nabije toekomst van een kind te maken. De onderzoeksuitkomsten kunnen volgens de onderzoekers verklaard worden door kenmerken van de LIRIK zelf, de implementatie van de LIRIK, kenmerken van de gebruiker (zoals de eigen opvattingen, ervaring met de LIRIK), de complexiteit van de problematiek en beperkingen van het onderzoek. Wel helpt de LIRIK professionals om gestructureerd te werken en oog te hebben voor risicofactoren voor kindermishandeling (Bartelink et al., 2015). De onderzoekers bevelen professionals aan om zich bij gebruik van de LIRIK bewust te zijn van de subjectiviteit van hun oordeel, en de veiligheid en risico’s samen met een collega en waar mogelijk de ouders in te schatten.

Vooralsnog wordt aanbevolen een breed instrument te gebruiken dat gericht is op risico’s voor ongunstige opgroei-omstandigheden, in ieder geval zolang er nog geen specifiek op kindermishandeling gericht instrument voor de JGZ geschikt bevonden is.

Kijk naar de algehele ontwikkeling van de jeugdige
Hoe is het met de algehele motorische, fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de jeugdige? Zijn de groeicurve en motoriek leeftijdsadequaat, hoe is het met de gezondheid van de jeugdige? Heeft de jeugdige vriendjes, hoe gaat het op school? Is er sprake van ziekteverzuim?
Wat zeggen de ouders hierover? Wat staat hierover in het dossier? Opvallende punten in de ontwikkeling kunnen aanwijzingen zijn voor eventuele problemen thuis of op school of voor nadere psychische en medische diagnostiek. Neem contact op met de huisarts en eventueel betrokken specialisten voor aanvullende informatie.

Fysieke gesteldheid
Streef er naar dat de jeugdige maar één keer onderzocht hoeft te worden.
De beoordeling van lichamelijke signalen (zie onderbouwing Thema 2) en het leggen van de relatie met kindermishandeling (mishandeling, verwaarlozing, misbruik) kan complex zijn. Overleg met een (collega) jeugdarts en de aandachtsfunctionaris kindermishandeling en verwijs indien nodig voor een nader medisch onderzoek naar een gespecialiseerde (kinder)arts. Afhankelijk van de ernst van de fysieke gesteldheid, de ernst van het vermoeden en de noodzaak tot snel handelen zoals bij seksueel misbruik (liefst binnen 24, maar uiterlijk binnen 72 uur), moet verwezen worden naar een (gespecialiseerde) kinderarts (WOKFA geschoold; Wetenschappelijk Onderwijs Kindermishandeling Forensisch Arts), forensisch arts, of huisarts al of niet in overleg met het LECK (Landelijk Expertisecentrum Kindermishandeling) of FPKM (Forensische Polikliniek Kindermishandeling).

Bij het LECK en FPKM kan te allen tijde advies gevraagd worden over geconstateerd letsel en kunnen jeugdigen onderzocht worden op verdachte verwondingen en blauwe plekken, (oude) breuken, (oude) brandwonden, tekenen van seksueel misbruik of andere fysieke tekenen van mishandeling. Bovendien wordt medisch differentiaal diagnostisch onderzoek gedaan naar mogelijke andere medische oorzaken bij gevonden afwijkingen of een onderliggend lijden op grond waarvan signalen van kindermishandeling kunnen worden verklaard.

Ook zijn er in Nederland Centra seksueel geweld waar zowel professionals als slachtoffers advies en hulp kunnen krijgen. Zie: http://www.centrumseksueelgeweld.nl/.

Bij de spoedeisende hulp (SEH) en ook bij andere afdelingen in ziekenhuizen wordt het zogenaamde ‘SPUTOVAMO-formulier’ gebruikt om de uiterlijke kenmerken en letsels die signalen van kindermishandeling kunnen zijn, weer te geven.

Ontbloot zien van kinderen
Om als JGZ-professional signalen van kindermishandeling te kunnen constateren, is het wenselijk dat jonge kinderen (0-4 jaar) minimaal één keer per jaar door de JGZ bloot (volledig ontkleed) worden gezien en dat jeugdigen vanaf 4 jaar daarna nog minimaal twee keer bloot (waarbij het ondergoed aangehouden wordt) worden gezien tijdens de contactmomenten zoals die zijn gedefinieerd in het Landelijk Professioneel Kader.
Wanneer jeugdigen te weinig frequent bloot worden gezien, kan de JGZ niet garant staan voor haar wettelijke taak in de signalering van kindermishandeling. Bovendien is ontbloot zien ook van belang voor de signalering van andersoortige medische of lichamelijke problematiek (bijvoorbeeld hartafwijkingen, huidafwijkingen (waaronder ook automutilatie), afwijkingen in lichaamsbouw, gewicht en motoriek).
Bij jeugdigen die al tot een risicogroep behoren, is er vanzelfsprekend de noodzaak om hen vaker te zien en vinger aan de pols te houden (al dan niet door middel van face-to-face contact waarbij de jeugdige ontbloot wordt gezien, contact met school, huisarts, etc).  
Het is in dat kader ook belangrijk dat de JGZ met andere organisaties die kunnen signaleren samenwerkt (met name scholen en kinderopvang) en daarin continu investeert. Lichamelijke signalen kunnen bijvoorbeeld bij de verzorging van jonge kinderen en bij gymles zichtbaar worden. Jeugdartsen dienen zich in dit kader met name naar kinderopvang en onderwijs actief op te stellen als gesprekspartner wanneer zij zorgen hebben op basis van lichamelijke signalen bij jeugdigen. In dat geval dient de JGZ organisatie, afhankelijk van de ernst en eventueel reeds in gang gezet onderzoek of hulp, de jeugdige binnen één dag tot maximaal twee weken in een face-to-face contact te zien, en dan dus ook bloot.

Psychische gesteldheid
De psychische gesteldheid van de jeugdige komt tot uiting in gedrag en sociaal-emotioneel functioneren (zie signalen Thema 2). Jeugdigen zijn echter niet altijd even specifiek in het uiten van de schade die ze hebben opgelopen.
Op verschillende leeftijden doet de JGZ een screening naar psychische-, gedragsmatige-, en psychosociale problemen, bijvoorbeeld met behulp van de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ; Van Widenfelt, Goedhart, Treffers, & Goodman, 2003), Brief Infant-Toddler Social and Emotional Assessment (BITSEA; Kruizinga et al, 2012a), Korte Indicatieve Vragenlijst voor Psychosociale problemen bij Adolescenten (KIVPA; Vogels, Siebelink, Theunissen, De Wolff, & Reijneveld, 2011) en de Elektronische Monitor Volksgezondheid (EMOVO). Deze instrumenten zijn breed van opzet en geven een indicatie van de aan- of afwezigheid van psychische of gedragsproblemen bij jeugdigen. Zie JGZ-Richtlijn Vroegsignalering psychosociale problemen (Postma, 2008; update 2016).

Daarnaast is het belangrijk om na te gaan of er trauma-gerelateerde klachten zijn. Ongeveer een kwart van de kinderen in Nederland maakt voor het 16de levensjaar één of meer schokkende gebeurtenissen mee (Beer, Verlinden, & Lindauer, 2013). Lang niet alle kinderen ontwikkelen daardoor psychische klachten. Op basis van Amerikaans onderzoek wordt geschat dat bij 14% van de kinderen met traumatische ervaringen sprake is van een PTSS  (Copeland, Keeler, Angold, & Costello, 2007). Vanaf een jaar of zes kunnen lichamelijke klachten, slaapproblemen, nachtmerries en irrationele of dwangmatige gedachten wijzen op de aanwezigheid van een trauma. Basisschoolleerlingen zullen soms in hun spel of in tekeningen gebeurtenissen uitbeelden die met trauma te maken hebben. Bij pubers en adolescenten kent een trauma dezelfde verschijningsvormen als bij volwassenen: angst, agressie, hulpeloosheid, afgrijzen en opgewonden gedrag komen voor, maar ook vermijding van prikkels, afvlakking van emoties, desinteresse, concentratieproblemen en verhoogde waakzaamheid. Jongeren kunnen nadrukkelijk doen alsof er niets aan de hand is (vermijding) en zich overgeven aan risicovol gedrag en excessief drank- of drugsgebruik. Zie ook signalen bij Thema 2.
Het protocol Classificatie Screening en diagnostiek (Beer et al., 2013) beschrijft hoe professionals kunnen screenen op trauma-gerelateerde klachten. Daarbij worden drie globale stappen onderscheiden:

  • een interview met jeugdige en ouders waarin vooral wordt gevraagd naar belevingen en gedragingen van de jeugdige;
  • een kort (screenings)instrument;
  • de beslissing om de jeugdige wel/niet door te verwijzen.

Bij een verdenking van een trauma of een PTSS kan de JGZ-professional de Children’s Revised Impact of Event Scale (CRIES-13) (Verlinden et al., 2014; Nederlandse vertaling: Olff, 2005) gebruiken (TNO, 2015). De CRIES-13 is een korte zelf-invulvragenlijst voor screening op symptomen van PTSS. Deze vragenlijst is bruikbaar voor jeugdigen van acht tot achttien jaar, en is gevalideerd (Verlinden et al., 2014). De CRIES-13 is vrij verkrijgbaar via internet, maar het gebruik dient uiteraard op organisatieniveau te worden afgestemd.
Overleg met een ter zake deskundige (gedragswetenschapper, jeugdpsycholoog, GGZ-professional) of bespreek de situatie in een casuïstiekoverleg (ZorgAdvies Team of Zorgbreedte-overleg). Ook kan expertise ingeschakeld worden van of verwezen worden naar een gespecialiseerd psychotraumacentrum voor jeugdigen (TopGGZ) of multidisciplinair centrum kindermishandeling.

Kijk naar beide ouders
De belangrijkste risicofactoren voor kindermishandeling zijn de factoren die betrekking hebben op de (beide) ouders (Mulder, 2014). Zie Thema 2. Het is dus van belang informatie te vergaren met betrekking tot beide ouders. Maak daarbij onderscheid tussen:

  • de ouders als persoon, bijvoorbeeld: hebben zij zelf (psychische of psychiatrische) problemen, een verslaving, hoe is hun temperament, zijn er agressieregulatie-problemen, hoe gaan zij om met psychosociale problemen (‘coping’)? Zie ook Thema 9.
  • de ouders als opvoeder, bijvoorbeeld: hoe is de interactie tussen ouders en jeugdige, is er toezicht, is er betrokkenheid met elkaar in het gezin?.

Beide punten moeten nagegaan worden; vaak zijn ze met elkaar verbonden. Voor een ouder met een verstandelijke beperking, een psychiatrische aandoening of veel psychosociale problemen kan de interactie met de jeugdige en het opvoeden moeilijker zijn, maar dat hoeft niet. Het hangt er van af hoe de ouder op deze problemen reageert of met de aandoening omgaat: met frustratie, agressie, irritatie (externaliserend) of met afstandelijkheid, afwezigheid, depressie (internaliserend)? Begrijpt de ouder de behoefte van de jeugdige en wat er nodig is voor een goede ontwikkeling? Kan de ouder, wanneer nodig, de eigen behoeften beheersen?
Ga ook altijd na welke positieve, sterke kanten de ouders hebben: wanneer het goed gaat in het gezin, waar zij trots op zijn, wat hen bindt.

In de eerder genoemde SPARK, GIZ en DMO-Protocol in Samen Starten wordt systematisch ook aandacht besteedt aan de opvoeding. Zie ook JGZ-Richtlijn Opvoedingsondersteuning (Oudhof et al., 2013) (4).
Daarnaast kan de JGZ-professional met de Zelfredzaamheidsmatrix (Fassaert, Lauriks, Van de Weerd, De Wit, & Buster, 2013) beoordelen of er sprake is van acute problematiek, of het gezin op een aantal domeinen niet, beperkt, voldoende of volledig zelfredzaam is. Er is een supplement beschikbaar om het ouderschap van volwassenen te beoordelen die de verantwoordelijkheid hebben voor minderjarige jeugdigen.
In 2014 is de zogenaamde Kindcheck toegevoegd als verplicht onderdeel aan de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (zie de Kindcheck). Dit betekent dat zorgprofessionals die met volwassenen werken (en bijvoorbeeld agressief of riskant gedrag vertonen) altijd moeten nagaan of er bij hun cliënt minderjarigen wonen en dat zij zich ervan moeten vergewissen dat deze veilig zijn. De Kindcheck is ook van toepassing op zwangere vrouwen. Zie verder bij de Kindcheck en de Handleiding Kindcheck voor GGZ en Verslavingszorg (Augeo Foundation, 2013).

Als de ouder niet de vermoedelijke pleger is
De JGZ-professional gaat na in welke relationele context de vermoede kindermishandeling plaatsvindt. Welke rol spelen de ouder(s) daarbij? Zijn zij of is een van hen de pleger(s)? Zijn er andere familieleden betrokken of mensen van buiten de huiselijke kring? Zijn de ouders op de hoogte en in staat de jeugdige te beschermen?
De relatie tussen pleger en slachtoffer heeft consequenties voor de behandeling en begeleiding van jeugdige en gezin. Is een of zijn beide ouders betrokken bij de mishandeling of hebben de ouders de jeugdige onvoldoende kunnen of willen beschermen, dan zullen ook de ouders behandeld en/of begeleid moeten worden. Als zij niet de plegers zijn en voldoende bescherming bieden, is de jeugdige in beginsel veilig bij hen. Begeleiding van de ouders en/of behandeling van de jeugdige kan dan evengoed nodig zijn maar is dan anders van aard. Zie ook Thema 12.

Kijk naar de omgeving
Breng ook de sociaal-maatschappelijke en sociaaleconomische factoren in kaart (zie ook Thema 2). Voor het gezin als geheel gaat het bijvoorbeeld om de buurt waar het gezin woont, de voorzieningen, de veiligheid op straat, de huisvesting (adequaat of niet), het gezinsinkomen en het vermogen daarvan rond te komen, eventuele schulden en het sociale netwerk.
Realiseer je dat het vaak om statische factoren gaat die niet of nauwelijks te beïnvloeden zijn of dat hulp daarbij gericht moet zijn op het hanteren van deze problemen. In de exploratiefase is het belangrijk om na te gaan hoe de ouders en jeugdige omgaan met deze problemen en omstandigheden. Soms kan met praktische hulp (denk aan huisvesting, financiën, naschoolse opvang) de noodzaak tot direct ingrijpen verdwijnen, wanneer opgelopen spanningen daarmee hanteerbaar zijn geworden.

Breng het sociale netwerk van de ouders, jeugdigen, het gezin in kaart. Een sociaal netwerk betreft alle min of meer duurzame relaties die de ouders, jeugdigen, gezinnen hebben met andere personen, groepen of instanties. Het gaat daarbij zowel om het aantal van dergelijke relaties als de kwaliteit ervan en de mate waarin men het gevoel heeft ‘erbij te horen’.
Het in kaart brengen van het sociale netwerk kan drie functies hebben: het sociale netwerk als informant, voor begrip van de context van het gezin en als ondersteuning met het oog op interventie. Deze ondersteuning kan op vier manieren: praktische ondersteuning, psychologische of emotionele ondersteuning en een normatieve (voorbeeld)functie (Baartman, 2010; Van Yperen, 2013).
De JGZ-professional kan het sociale netwerk in kaart brengen door hier gericht naar te vragen.
Het sociaal netwerk wordt ingedeeld in drie ‘ringen’ met het gezin, naaste familie, goede vrienden en buren als binnenste ring; daaromheen vrienden, familie en collega’s die verder van het gezin af staan; en in de buitenste schil de groepen en instanties zoals school, kerk, sportclub ed.

(4) In deze richtlijn wordt tevens de NOSI(K) genoemd, maar de bewijzen voor het effect van het instrument is door Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN) inmiddels als verouderd beoordeeld (Databank Effectieve Jeugdinterventies, Nederlands Jeugdinstituut).

Stap 2: overleg met andere professionals

Handel bij een vermoeden of verdenking van kindermishandeling nooit alleen.
Allereerst wordt de situatie van het vermoeden van kindermishandeling besproken binnen het team waarin de JGZ werkzaam is en met de aandachtfunctionaris kindermishandeling. Zie ook 'Verantwoordelijkheidsverdeling binnen de JGZ' in Thema 3.

Ga na welke andere professionals betrokken zijn bij het gezin. De eerste weg hiervoor is om dit na te vragen bij de ouders zelf. Ga na of er een ‘match’ is bij registratie van de jeugdige in de Verwijsindex (VIR).
Denk bij overleg met andere professionals aan:

  • Sociale wijkteams (wijkteam, jeugdteam of jeugd en gezinsteam) –vaak inclusief JGZ
  • Veilig Thuis (0800-2000)
  • Huisarts
  • Jeugdbescherming en jeugdhulp
  • Raad voor de Kinderbescherming
  • Politie
  • Peuterspeelzaal, kinderopvang, onderwijs
  • Jeugd-GGZ
  • Algemeen Maatschappelijk Werk (schuldhulpverlening, relatieproblemen, huisvestingsproblemen, werk en inkomen) meestal ook in sociaal wijkteam
  • Volwassenen GGZ en psychiatrie, waaronder verslavingszorg
  • Maatschappelijke Opvang/Vrouwenopvang (Blijf van m’n Lijf)
  • MEE bij lichamelijke en geestelijke beperking, chronisch zieken
  • LECK (Landelijk ExpertiseCentrum Kindermishandeling) / FPKM (Forensische Polikliniek Kindermishandeling)
  • Centrum Seksueel Geweld
  • Paramedici zoals logopediste, fysiotherapeut, diëtist, verloskundige, etc.
  • Medisch Specialisten en tandarts
  • Werkers in de alternatieve geneeswijzen
  • Professionals met een specifieke expertise zoals op het gebied van seksueel geweld, eer-gerelateerd geweld, loverboy-problematiek, huwelijksdwang.

LET OP:
Jeugdartsen werken volgens de KNMG-meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld (2014). Deze meldcode stelt dat een arts altijd (ook) met Veilig Thuis moet overleggen bij vermoedens van kindermishandeling. Bij dit overleg kan het gezin/de jeugdige anoniem blijven. Ook moet de arts altijd voorafgaand aan een melding met Veilig Thuis overleggen. Dit betekent dat alleen overleg met de interne aandachtsfunctionaris kindermishandeling niet voldoende is. Onder overleg wordt ook casusoverleg verstaan waar de jeugdarts en Veilig Thuis bij elkaar zitten. Het is wenselijk om op landelijk niveau de discussie te voeren over dit ‘moeten overleggen’ van de jeugdarts met Veilig Thuis onder andere in verband met de capaciteit bij Veilig Thuis.
Jeugdverpleegkundigen en verpleegkundig specialisten volgen de V&VN-meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld (2011). Deze meldcode stelt dat een jeugdverpleegkundige zo nodig (ook) met Veilig Thuis moet overleggen bij vermoedens van kindermishandeling.
In onderhavige richtlijn wordt jeugdverpleegkundigen aanbevolen altijd te overleggen met de aandachtsfunctionaris kindermishandeling en de jeugdarts die bij het gezin is betrokken. Jeugdartsen wordt aanbevolen om altijd te overleggen met de verpleegkundige of verpleegkundig specialist die bij het gezin betrokken is. Kortom, binnen het team dienen jeugdarts en jeugdverpleegkundige en verpleegkundig specialist altijd overleg met elkaar te hebben over vermoedens van kindermishandeling. Voor jeugdartsen geldt daarenboven: altijd overleg met Veilig Thuis. Werk je vanuit de JGZ in een jeugdteam, dan geldt hetzelfde. Als je in dienst bent bij het jeugdteam of de gemeente, dan volg je in ieder geval de eigen beroeps-meldcode en de specifieke afspraken die binnen het team zijn gemaakt.

Overleg met de politie en overweeg aangifte wanneer er sprake is van:

  • een mogelijk strafbaar feit;
  • ernstige vormen van lichamelijke kindermishandeling, lichamelijke verwaarlozing;
  • seksueel misbruik;
  • eer-gerelateerd geweld;
  • vrouwelijke genitale verminking;
  • huwelijksdwang;
  • als alleen op die manier kindermishandeling tijdig en duurzaam gestopt kan worden.

Bij twijfel: vraag advies aan de aandachtsfunctionaris kindermishandeling en Veilig Thuis.

Informatie-uitwisseling
Met toestemming van de ouders en jeugdige vanaf zestien jaar mag altijd overlegd worden met relevante andere, externe professionals. Dat wil niet zeggen dat gegevensuitwisseling met andere professionals alleen maar mogelijk is als ouders en eventueel jeugdige expliciet toestemming geven. In het belang van de jeugdige kan het soms nodig zijn om zonder toestemming, maar met medeweten van de ouders en eventueel jeugdige, informatie te vragen bij en te overleggen met andere professionals. Soms is het zelfs niet mogelijk om de ouders van tevoren te informeren in verband met de veiligheid van de jeugdige of de professional. Overleg dan met Veilig Thuis en noteer dit met beargumentering in het dossier.

Bij de afweging om privacygevoelige informatie zonder toestemming uit te wisselen met andere professionals is het van belang de volgende vragen te beantwoorden zoals beschreven in het Model samenwerkingsconvenant Verwijsindex (Maessen, 2014):

  • Welk doel moet bereikt worden met het geven van de informatie?
  • Kan dit doel ook bereikt worden zonder de informatie te verstrekken? Wat is de toegevoegde waarde van informatie-uitwisseling op dat moment?
  • Is echt al het nodige geprobeerd om toch toestemming te verkrijgen van de gezinsleden?
  • Weegt het gevaar of ernstig nadeel bij een van de gezinsleden (een of meer jeugdigen) wel op tegen het belang dat een ander gezinslid bij geheimhouding heeft?
  • Wie heeft de informatie echt nodig om het gevaar of het ernstige nadeel voor het gezinslid af te wenden? Welke informatie heeft die professional echt nodig?

JGZ-professionals moeten dus goed weten onder welke omstandigheden zij wel en niet informatie over gezinnen mogen delen en bij iedere situatie afwegen of dit wel of niet verstandig is. Dat wil zeggen:

  • informatie verstrekken aan professionals die daarom vragen;
  • verzoeken om informatie bij andere professionals;
  • uitwisselen in multidisciplinair overleg.

Hiertoe dienen:

  • voldoende informatie over de situatie om de afweging goed te kunnen maken
  • de Wet Bescherming Persoonsgegevens;
  • de WGBO (Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst) – paragraaf beroepsgeheim;
  • organisatie-afspraken en –protocollen;
  • een meldrecht in het kader van de Wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld & Kindermishandeling;
  • een meldrecht (o.a. op basis van de Jeugdwet 2015) wanneer politie, justitie, Veilig Thuis of Raad voor de Kinderbescherming om informatie vragen;
  • Herziening kinderbeschermingsmaatregelen (14 november 2014).

LET OP: ten gevolge van de wetswijziging ‘Herziening kinderbeschermingsmaatregelen’ (14 november 2014) heeft de gezinsvoogd/jeugdbeschermer per 2015 een eigenstandig recht op informatie. Op grond daarvan moeten artsen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten en andere professionals met een beroepsgeheim, desgevraagd en zonder toestemming van de betrokkenen een gezinsvoogd/jeugdbeschermer informatie verstrekken (spreekplicht). Dit geldt alleen als de informatieverstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling (OTS). De wetswijziging maakt het juridisch ook mogelijk dat de jeugdarts, jeugdverpleegkundige, verpleegkundig specialist en andere professionals met beroepsgeheim uit eigen beweging de gezinsvoogd/jeugdbeschermer informeert.
Wanneer er een ‘gezinsmanager’ is zonder dat er sprake is van een OTS, gelden gewoon het beroepsgeheim en de algemene regels voor gegevensuitwisseling.

Bij vragen en dilemma’s over het beroepsgeheim kan altijd overlegd worden met de aandachtsfunctionaris kindermishandeling of Veilig Thuis. Andere informatiebronnen zijn:

Iedere JGZ-organisatie dient te beschikken over een veilig systeem voor informatie-uitwisseling met andere betrokken instellingen. Denk bijvoorbeeld aan beveiligde digitale en email-systemen zoals ‘Zorgmail’.

Verwijsindex Risicojongeren
De Verwijsindex Risicojongeren (VIR) is een landelijk digitaal systeem waarin alleen geautoriseerde professionals inzage hebben en een registratie op basis van het BSN-nummer kunnen doen van jongeren tot 23 jaar met problemen. Ga na wie dit bij jouw organisatie is of zijn. De VIR koppelt persoonsgegevens van jeugdigen op hetzelfde adres en van kinderen van dezelfde ouders, waardoor eventuele signalen bij elkaar kunnen komen. Bij een ‘match’ wordt duidelijk welke professionals of politie of justitie (die de jeugdige ook in de VIR registreerden) bij de jeugdige en het gezin betrokken zijn. Er is dan nog geen inhoudelijke informatie-uitwisseling, er is alleen een signaal dát er meerdere professionals betrokken zijn. Zij kunnen dan vervolgens overleggen wat de beste aanpak is voor hulpverlening. Over de registratie van een jeugdige in de VIR moeten ouders en jongeren vanaf 16 jaar vooraf geïnformeerd worden, maar toestemming is daarbij niet nodig. De professional heeft een recht (geen plicht) om een jeugdige in de VIR te registreren bij een ‘redelijk vermoeden’ dat “de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige daadwerkelijk wordt bedreigd”. Wanneer er een match blijkt met andere professionals of politie en justitie en men in overleg wil treden, is toestemming van de ouders of jeugdige (indien zestien jaar of ouder) wel vereist. Wanneer zij geen toestemming geven is er sprake van een ‘conflict van plichten’ en moeten professionals afwegen of zij hun beroepsgeheim moeten doorbreken in belang van de jeugdige (zie ook de Jeugdwet uit 2015 en de website www.handreikingmelden.nl).

Stap 3: praat met ouder(s) en jeugdigen

De oplossingsgerichte manier van werken (De Shazer, 1993; Berg, 1994), zoals bijvoorb eeld Signs of SafetyTM (Turnell & Edwards, 1999), wordt gezien als een respectvolle methode die betrokkenen in hun waarde laat en waarbij met zowel ouders, jeugdigen als sociaal netwerk wordt samengewerkt; zij staan immers centraal. Signs of SafetyTM wordt vooral toegepast in de jeugdhulp en jeugdbescherming.  Aanbevolen wordt in gesprek met ouders en jeugdigen de principes van het oplossingsgericht werken en/of Signs of SafetyTM toe te passen.

Uitgangspunt is om in openheid de zorgen en te ondernemen stappen te bespreken met de ouders en/of de jeugdige, vanaf de eerste zorg. Openheid is van belang voor de stappen die daarna volgen. In het eerste gesprek wordt de toon gezet.

In uitzonderlijke situaties kan er echter voor gekozen worden om niet met de ouders of jeugdige in gesprek te gaan, wanneer daarmee de veiligheid van betrokkenen in ernstige mate in het geding is (denk aan seksueel geweld, huwelijksdwang, eergerelateerd geweld, loverboy problematiek, suïcide gevaar). Vraag dan advies aan een deskundige, soms is het wel mogelijk om samen met een andere professional het gesprek aan te gaan. Noteer je afwegingen om niet met ouders of kind te spreken altijd in het dossier.

De wet (WGBO en Burgerlijk Wetboek) maakt onderscheid tussen drie leeftijdscategorieën: tot twaalf jaar, van twaalf tot zestien jaar en zestien jaar of ouder. Een gesprek met een jeugdige tot twaalf jaar vindt in beginsel alleen plaats met toestemming van de ouders (of wettelijk vertegenwoordigers) met gezag. Een jongere van boven de zestien jaar kan zelfstandig bepalen of hij met de JGZ-professional alleen wil spreken, tenzij de jongere wilsonbekwaam wordt geacht. Ook moet je jongeren van boven de zestien eerst toestemming vragen om met de ouders te mogen praten, tenzij er gegronde redenen zijn om hiervan af te wijken (bijvoorbeeld wanneer de jongere daardoor gevaar loopt).
Er bestaat een lacune in de wet voor wat betreft de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat is tot een weloverwogen waardering van zijn belangen (bijvoorbeeld bij lichte verstandelijke beperking). De wet voorziet niet in een mogelijkheid om een eventuele weigering van ouders om toestemming te geven te doorbreken.

Uitzondering geldt in acute en dreigende situaties waarin de toestemming van de wettelijke vertegenwoordigers niet gegeven is, en handelen van de JGZ-professional nodig is om ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen (art. 7:466 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Ook mag de JGZ-professional handelen zonder toestemming van de ouders als de JGZ-professional in een individueel geval van mening is niet als goede hulpverlener te functioneren wanneer de geldende regels in acht genomen worden (lees: door niet te handelen). Hiervoor moet de JGZ-professional goede argumenten hebben.

Veilig Thuis is bevoegd om in uitzonderlijke gevallen zonder medeweten van ouders (eerst) met een jeugdige (onder de zestien jaar) te spreken. Het is bijvoorbeeld niet altijd mogelijk om toestemming te verkrijgen om met de jeugdige apart te spreken – of om deze toestemming van beide ouders te verkrijgen (denk aan vechtscheidingen, een ouder die niet meer in beeld is, een ouder als pleger van seksueel geweld). Als ouders niet direct of geen toestemming geven, probeer hen dan te overtuigen van het belang van een gesprek met de jeugdige; ook voor de jeugdige zelf. Vertel wat je weet en benoem dat jij niet weet wat er verder gebeurd is en dat je daarom het verhaal van de jeugdige zelf wilt horen.  

Bij twijfel of onduidelijkheid: vraag de aandachtsfunctionaris kindermishandeling en Veilig Thuis om advies.

Praten met ouders
Bedenk vooraf en leg uit wat het doel van het gesprek is: het in kaart brengen van de situatie of het aangaan van een samenwerkingsrelatie om veiligheid in het gezin tot stand te brengen? Bereid het gesprek goed voor en ga na wat al bekend is en wat nog niet.

Zet een erkende tolk in (via Tolk- en Vertaal Centrum Nederland) bij allochtone ouders die onvoldoende Nederlands spreken en ga na wat de belangrijkste gedragsregels zijn in de betreffende cultuur.

Overweeg de locatie van het gesprek: bij de ouders thuis, op kantoor of elders. Overweeg ook wie het gesprek het beste kan voeren en welke collega of andere professional daarbij aanwezig zal zijn. Vraag hulp en/of oefen een gesprek eventueel van tevoren met een collega en/of video-opname.  

Wees er van bewust dat woordkeuze en formulering in een gesprek met ouders heel nauw meten en bedenk per situatie vooraf welke keuze de minste weerstand bij ouders kan oproepen. Wees je bewust van het effect van woorden op de ouders.

Vermijd het gebruik van afkortingen en vaktermen zoals ‘factoren’, ‘risicofactoren’, signalen/signaleren’ ‘pedagogisch’, ‘eigen kracht’, ‘sociaal netwerk’ ed.

Het kan verstandig zijn, met name in een eerste explorerende fase, om niet van ‘huiselijk geweld’, ‘kindermishandeling’, ‘geweld’ of ‘verwaarlozing’ te spreken. Gebruik dan liever woorden en omschrijvingen zoals: ‘zorgen maken over …’, ‘wat gaat goed, wat gaat niet goed’, ‘zorgpunten /aandachtspunten’, ‘ongunstige omstandigheden’, ‘zorgen delen over kind’, ‘veiligheid’.

Als er al hulpverlening betrokken is en er wordt gewerkt aan de veiligheid in het gezin, kan het anderzijds juist wel goed zijn om expliciet te zijn en er ‘niet omheen te draaien’.

Beloof, wanneer de ouder daarom vraagt, niet dat je alle informatie geheim zal houden, leg uit dat je een beroepsgeheim hebt maar dat je ook de plicht hebt te beschermen en dat het daarom soms nodig is je beroepsgeheim te doorbreken. Erken dat dat voor hen vervelend is maar dat het in het belang van de jeugdige is.  Spreek af dat je de ouder altijd vooraf zal informeren wanneer informatie met andere professionals gedeeld moet worden.

Gebruik ‘algemene kennis’ in het gesprek: ‘we weten dat kinderen in dit soort situaties … ‘ (Ten Berge, Addink, De Baat, Bartelink, Van Rossum, & Vinke, 2012).

Benoem concreet de zorgen en spreek over feiten, zonder oordeel en zonder aannames of interpretaties van die feiten. Stel vooral open vragen die niet alleen met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord kunnen worden vanuit een oprecht geïnteresseerde open houding.

Pas gesprekstechnieken toe, zoals hieronder in het kader staan beschreven. Deze technieken worden op grote schaal in de praktijk gebruikt en heel waardevol gevonden. De bron hiervan is onbekend.

Laat OMA thuis, gebruik LSD, neem ANNA mee, smeer NIVEA, maar wees een OEN en maak je DIK.

OMA: Oordelen, Meningen/Moralisering en (goedbedoelde) Adviezen.

LSD: Luisteren, Samenvatten en Doorvragen. Luister naar wat de ander zegt, vat dit samen en vraag hierop door. Let bij het luisteren niet alleen op de woorden die worden gebruikt, maar ook op de lichaamstaal. Door samen te vatten check je of je goed hebt begrepen wat de ander duidelijk wilde maken. Door goed door te vragen zorg je ervoor dat alles duidelijk wordt.

ANNA: Altijd Navragen en Nooit Aannemen.

NIVEA: Niet Invullen Voor Een Ander

OEN: een Open, Eerlijk en Nieuwsgierige (oprecht geïnteresseerde of onderzoekende) houding aannemen. Sta open voor een andere mening, wees eerlijk in wat je er zelf van vindt en wees nieuwsgierig naar de motivatie van de ander.

DIK: Denk In Kwaliteiten. Vaak geven mensen alleen aandacht aan de dingen die niet goed gaan of negatieve eigenschappen van een ander, maar probeer ook aandacht te geven aan de dingen die wel goed gaan of aan de kwaliteiten van anderen.

Geef ouders de ruimte om te reageren en hun kant van het verhaal te vertellen, wat zijn hun verklaringen voor de geconstateerde problemen. Bevestig wat goed gaat en complimenteer ouders daarvoor. Maak concrete afspraken over het vervolg en wat van de ouders verwacht wordt.

Praten met de jeugdige
Onderzoek laat zien dat vanaf de leeftijd van ongeveer vier jaar, open vragen aan de jeugdige kunnen worden gesteld die voldoende informatie en details geven (Lamb, Orbach, Hershkowitz, Esplin, & Horowitz, 2007). Hoe en wanneer met jeugdigen gesproken wordt over signalen, vermoedens en verdere plannen is tevens afhankelijk van de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige en de situatie.

Over het algemeen geldt dat wanneer er vermoedens over kindermishandeling of een onveilige opvoedingssituatie bestaan, het belangrijk is de jeugdige te betrekken in de gespreksvoering en ook de jeugdige alleen te spreken. Zij voelen vaak aan dat er iets aan de hand is, ook al heeft niemand hen dat uitgelegd. Jeugdigen bedenken daarbij vaak hun eigen –niet altijd juiste– verklaringen voor de situatie en hebben de neiging zichzelf daarbij medeschuldig te voelen of vinden en zijn onvoorwaardelijk loyaal naar hun ouders. Bij allochtone jeugdigen kan daarbij ook de loyaliteit aan de familie en aan cultuur en geloof een belangrijke rol spelen.

Vraag ouders toestemming om met de jeugdige te mogen spreken. Vertel wat je weet en benoem dat jij niet weet wat er verder gebeurd is en dat je daarom het verhaal van de jeugdige wilt horen.
Bereid een gesprek goed voor. Denk niet meteen in oplossingen. Wees voorbereid op wat je mogelijk te horen krijgt en hoe je dan reageert. Houd rekening met het tijdstip op de dag en denk na over de locatie. Realiseer je dat het (extra) tijd kost om met een jeugdige te praten die kindermishandeling meemaakt of meegemaakt heeft. Houd daar rekening mee en rond een gesprek altijd zorgvuldig af.

Ten Berge et al. (2012) geven een aantal algemene aandachtspunten voor gesprekken met jeugdigen:

  • Stel de jeugdige op zijn gemak en begin met algemene onderwerpen.
  • Leg duidelijk uit wat de bedoeling is van het gesprek en wat er met de informatie die de jeugdige geeft, gaat gebeuren.
  • Stel open vragen.
  • Beloof niet, wanneer de jeugdige daarom vraagt, dat je alle informatie geheim zal houden, leg uit dat je een beroepsgeheim hebt maar dat je ook de plicht hebt te beschermen en dat het daarom soms nodig is je beroepsgeheim te doorbreken. Spreek af dat je de jeugdige altijd vooraf zal informeren wanneer informatie met andere professionals gedeeld moet worden.
  • Maak duidelijk dat de jeugdige niet schuldig is aan de situatie, maar dat ouders verantwoordelijk zijn voor een veilige en prettige thuissituatie.
  • Heb oog voor het loyaliteitsconflict waarin dit de jeugdige kan brengen.
  • Laat bij het bespreken van de thuissituatie vooral de jeugdige aan het woord.
  • Vraag welke mogelijke oplossingen zij zelf zien en wat er voor nodig is om dat te realiseren.
  • Maak bij het afsluiten van het gesprek expliciet duidelijke afspraken over met wie de besproken informatie gedeeld zal worden en wat de jeugdige aan zijn ouders gaat vertellen.
  • Zorg er voor dat na afloop van het gesprek de jeugdige opgevangen wordt door een voor hem of haar vertrouwd persoon.

Als er sprake is van mogelijk strafbare feiten
Stem, wanneer er sprake is van mogelijk strafbare feiten, de te ondernemen stappen af met de interventies van de politie: gesprekken met slachtoffer(s) en getuige(n) kunnen het leveren van bewijs in een strafzaak namelijk belemmeren. Zie ook de onderbouwing van samenwerking met het professionele netwerk.

Tegelijkertijd moet hierom niet geschuwd worden om met de jeugdige te spreken. Dat kan op basis van het ‘Minimum Facts Interview’ (Chadwick Center, San Diego County Child Protection Team, 2012) dat er op gericht is een minimum aan informatie te vergaren om te bepalen of sprake van kindermishandeling kan zijn en wat nodig is voor de veiligheid van de jeugdige:

  • Praat met de jeugdige apart, zonder ouders of andere betrokkenen.
  • Let op non-verbaal gedrag en emoties bij de jeugdige.
  • Laat de jeugdige verhaal doen in de eigen bewoordingen; geef geen suggesties met woorden (in de mond leggen), voordoen, iets laten zien.
  • Gebruik geen gesloten of suggestieve vragen, gebruik wel open vragen, zoals ‘Wat is er gebeurd?’ Vragen die beginnen met:
    Wat …?
    Waar … ?
    Wanneer
    Wie … ?
    Hoe ….?
    Hoe jonger de jeugdige, des te globaler de antwoorden. Veel kinderen van vijf kunnen niet tijdstip en adres exact verwoorden.
  • Ga na of de jeugdige (met spoed) medisch onderzocht moet worden.
  • Ga na wat er nodig is voor de acute veiligheid van de jeugdige.
  • Ga na hoe je zelf de jeugdige een gevoel van veiligheid kan geven.

Neem zelf een neutrale houding aan ten opzichte van de jeugdige: de jeugdige niet prijzen voor bepaalde uitspraken; maar wel prijzen dat het vertelt. Toon geen afkeer (boosheid/walging e.d.) over de mogelijk met de jeugdige uitgevoerde (seksuele) handelingen (Lamb et al., 2007); vertel dat het niet de schuld van de jeugdige is.

Stap 4: weeg de ernst en risico’s

In deze stap van de Meldcode concludeert de JGZ-professional (voorlopig), alles overziend, wat er aan de hand is of lijkt te zijn.

Dit is niet een eenvoudig ‘wegen’. In Thema 2 zijn de wetenschappelijk onderbouwde risico- en beschermende factoren op een rij gezet. Er is echter geen wetenschappelijk bewijs dat deze factoren elkaar (volledig) kunnen opheffen of dat de kans op kindermishandeling eenvoudigweg een kwestie van plussen en minnen van risico- en beschermende factoren is. Per definitie betreft het kansen dat deze factoren vóórkomen, onderzocht in groepen, niet in individuele gevallen. Wel is het waarschijnlijk dat de kans op kindermishandeling groter wordt bij de aanwezigheid van drie of meer risicofactoren (Sidebotham, 2006). Of het omgekeerde effect (in gelijke mate) uitgaat van beschermende factoren is niet bekend.

Desondanks is het belangrijk dat de JGZ-professional zowel de risico- als beschermende factoren in kaart brengt en weegt om zo een inschatting te maken van de ernst en impact van de kindermishandeling, welke acties en interventies aangewezen zijn en wat daarvan het verwachte effect is.

Een veiligheids- en/of risicotaxatie -instrument helpt bij de weging van de ernst van kindermishandeling en/of het risico (van herhaling) voor kindermishandeling.
Vraag bij twijfel altijd (opnieuw) advies bij Veilig Thuis.

Stap 5: beslis: hulp organiseren of melden?

In deze fase gaat het JGZ-team (minimaal jeugdarts, jeugdverpleegkundige en aandachtfunctionaris kindermishandeling in samenspraak) na of in voldoende mate zelf hulp kan geboden kan worden of georganiseerd kan worden. Hulp moet in eerste instantie gericht zijn op het creëren of herstellen van de veiligheid voor de jeugdige. Wat kan het JGZ-team zelf, samen met de ouder(s) oppakken, welke oplossingen ziet/zien de ouder(s) zelf, welke rol kan het sociale netwerk spelen? Welke andere deskundigheid en vormen van begeleiding zijn aangewezen? De veiligheid voor de jeugdige is leidend.

Beslissen in onzekerheid
Beslissen in situaties van kindermishandeling is per definitie moeilijk. Beslissen over (melden van vermoedens van) kindermishandeling is vooral weten om te gaan met onzekerheden. Besluitvorming is een proces en vindt niet ‘plotseling’ plaats als ‘laatste stap’ van een meldcode kindermishandeling: een besluit ontwikkelt zich. De scheidslijn tussen de onderdelen 4 (wegen van ernst en risico) en 5 (beslissen) in de meldcode valt dan ook niet scherp te trekken. Beslissen over kindermishandeling is bovendien lastig omdat:

  • kindermishandeling een psychosociaal probleem is waarbinnen allerlei vormen en gradaties bestaan en er – anders dan bijvoorbeeld bij een medische aandoening – geen sprake kan zijn van zogenaamde ‘slagboom-diagnostiek’ (een vrouw kan niet een ‘beetje zwanger’ zijn);
  • de implicaties van een verkeerd besluit ernstig kunnen zijn;
  • iedere betrokkene zijn of haar eigen verhaal, perspectief en belangen heeft;
  • professionals vaak moeten beslissen onder tijdsdruk;
  • ouders in veel gevallen zelf (nog) geen hulpvraag of motivatie hebben.

Het gaat dus om ‘beslissen in onzekerheid’ (Munro, 1999). Het werken met onzekerheden betekent dat er fouten gemaakt kunnen worden. Fouten ontstaan door allerlei valkuilen in de oordeelsvorming (Ten Berge & Vinke, 2006) en in processen en systemen, volgens Munro (2005) door:

  • factoren bij de professional zelf, zoals emoties en eigen normen en waarden;
  • de beperkingen van instrumenten. Instrumenten beogen de onzekerheid van professionals bij besluitvorming te minimaliseren, maar kunnen dat maar tot op zekere hoogte; even belangrijk is de professionele blik en gefundeerde intuïtie;
  • factoren in relatie tot de context van de organisatie. JGZ-professionals moeten enerzijds opkomen voor de jeugdige en het gezin, maar hebben daarnaast te maken met de doelstellingen van de organisatie.

Valkuilen en knelpunten zijn bijvoorbeeld (Munro, 1999):

  • de geneigdheid om besluitvorming te vereenvoudigen en zich op basis van beperkte informatie een oordeel te vormen. Vaak past men een eerste oordeel niet snel meer aan. Daarbij wordt gezocht naar informatie die het eerste oordeel bevestigt en wordt informatie die tegenstrijdig is aan het eerste oordeel genegeerd (tunnelvisie);
  • de neiging om te beslissen op basis van informatie die recent of levendig is of sterke emoties oproept. Hierdoor kan een vertekend beeld van de situatie ontstaan;
  • de geneigdheid om snel een oorzakelijk verband te veronderstellen zonder na te gaan of dat verband er daadwerkelijk is;
  • de neiging om impliciet en intuïtief te beslissen, waarbij persoonlijke kenmerken, ervaringen en beeldvorming van de persoon die de besluiten neemt een invloedrijke rol hebben;
  • de neiging om ongestructureerd beslissingen te nemen. De relatie tussen de verzamelde informatie en de genomen beslissingen blijkt mager (De Jong, 2004; De Langen, 2004);
  • de verschillen tussen professionals in de ‘beslisdrempels’ die zij hanteren, oftewel hoe snel zij geneigd zijn om in te grijpen. De hoogte van de beslisdrempel verschilt per hulpverlener en hangt vooral af van de soort fouten dat hij het liefst wil vermijden: vals positieven (onterecht ingrijpen) of vals negatieven (onterecht niet ingrijpen) (Dalgleish, 1997). Naast werkervaring hebben ook de eigen normen en waarden en voorgeschiedenis van de professional en eerdere incidenten (in de media) invloed op de hoogte van de beslisdrempel.

Goede besluitvorming rond kindermishandeling voldoet aan de volgende criteria (o.a. Bartelink, Ten Berge, & Van Yperen, 2010):

  • beslis nooit alleen, overleg en werk samen, registreer alle stappen bij besluitvorming en overwegingen in het dossier;
  • besluitvorming komt ‘in dialoog’ met ouders en jeugdigen tot stand; beslissingen worden samen met ouders en indien mogelijk met de jeugdige genomen, tenzij de omstandigheden dermate dreigend zijn dat overleg met ouders structureel onmogelijk blijkt;
  • de veiligheid van jeugdigen staat centraal;
  • beslissingen zijn transparant, goed onderbouwd en komen systematisch en doelgericht tot stand;
  • beslissingen zijn gebaseerd op theorieën over het ontstaan en in standhouden van kindermishandeling en onveilige opvoedingssituaties en op kennis over ‘wat werkt’.

Multidisciplinair beslissen
Beslis bij vermoedens van kindermishandeling nooit alleen over de te ondernemen stappen of een melding en vraag de aandachtsfunctionaris kindermishandeling gedurende het gehele proces mee te kijken. Kom tot besluitvorming bij voorkeur samen met ouders, zo mogelijk ook met jeugdigen.

De input van verschillende professionals, zowel extern van betrokken instanties als intern (werkbegeleider, gedragswetenschapper, vertrouwensarts, teamleider) is essentieel voor een goede oordeelsvorming over de problematiek en voor de beslissing welke interventie nodig is om een jeugdige te beschermen en zijn welzijn te bevorderen (Sidebotham et al., 2010).
Bij het beslissen over de veiligheid van jeugdigen hebben JGZ-professionals te maken met diverse instanties of teams, zoals het wijkteam, de school, het ZAT (ZorgAdviesTeam) en het CJG. Om de best mogelijke hulp en ondersteuning in het gezin te krijgen is het belangrijk dat instanties samen optrekken en zowel onderling als met ouders en jeugdigen afspraken maken over de regie. Neem als JGZ-professional het voortouw als dat nodig lijkt en wijs andere professionals daar ook op. Zie ook Thema 4.

Team- en multidisciplinaire besluitvorming heeft als voordeel dat professionals met elkaar in gesprek gaan over de afwegingen die zij maken. Verschillen tussen professionals komen zo aan het licht, waardoor zij elkaar kunnen aanscherpen. Teams komen vaker tot eenduidige beslissingen dan individuele professionals (Pijnenburg, 1996). Onderzoek wijst echter ook uit dat teambesluitvorming niet per definitie tot betere beslissingen leidt. Professionals blijken in teams lang stil te staan bij de verzamelde informatie. Dit leidt niet per definitie tot heldere en systematische besluitvorming. Er blijkt weinig verband tussen de verzamelde informatie en de genomen beslissingen. Bovendien kunnen valkuilen zich ook in teambesluitvorming voordoen. Het risico bestaat bijvoorbeeld dat iedereen in dezelfde richting gaat denken als degene die de zaak inbrengt (De Jong, 2004; De Langen, 2004; Pijnenburg, 1996). Ook multidisciplinaire beslisteams kunnen last hebben van tunnelvisie. Munro (2005) raadt daarom aan om in ieder multidisciplinair overleg, per toerbeurt, expliciet een professional het proces te laten bewaken (als ‘advocaat van de duivel’). De aandachtsfunctionaris kindermishandeling kan deze rol vervullen. Ook bestaat het risico dat de individuele professional zich kan ‘verschuilen’ achter een teambesluit, zonder zelf de verantwoordelijkheid te nemen na ruggespraak met collega’s en andere deskundigen.
Voor effectieve team- en multidisciplinaire besluitvorming is het nodig dat elke professional vanuit zijn organisatie het mandaat heeft om de beschikbare informatie te delen en beslissingen te nemen. Het vraagt ook van professionals dat zij goed voorbereid naar de bijeenkomst komen, zodat zij hun bijdrage kunnen leveren aan het besluitvormingsproces. Het proces moet gestructureerd en doelgericht verlopen, zodat er na afloop een heldere beslissing ligt en elke deelnemer weet wat er van hem verwacht wordt. Effectieve samenwerking tussen organisaties op cliëntniveau vraagt om commitment van de organisaties (management), een omgeving die wederzijds vertrouwen en samenwerking bevordert, processen en systemen die de samenwerking vergemakkelijken en ondersteuning van individuele professionals (Bartelink & Kooijman, 2013).

Benodigde competenties

Het werken met (vermoedens van) kindermishandeling, vraagt veel van professionals.

“Kindermishandeling raakt ouders en kind zo intens, dat het hoge eisen stelt aan de expertise van degene die zich om het kind en de ouders bekommert” (Baartman, 2013).

Weliswaar zijn JGZ-professionals hiervoor opgeleid en mag verwacht worden dat zij beschikken over de nodige competenties; anderzijds gaat het om werken in onzekere, complexe situaties waarbij het maken van fouten vrijwel onvermijdelijk is en tegelijkertijd de consequenties daarvan ingrijpend kunnen zijn, zowel bij een terecht vermoeden als bij een onterecht gebleken vermoeden. Dit is dan ook een belangrijke reden om besluitvorming bij kindermishandeling nooit alleen te doen. 

De JGZ-professional dient over een scala aan competenties te beschikken, afhankelijk van de discipline (jeugdarts, jeugdverpleegkundige, verpleegkundig specialist, doktersassistent, pedagogisch medewerker/ gedragswetenschapper, aandachtsfunctionaris kindermishandeling). Onder ‘competenties’ verstaan we: ‘vermogens op basis van kennis, attitude en vaardigheden’.

De onderstaande attituden en vaardigheden komen voort uit het oplossingsgerichte werken (Turnell & Edwards, 1999; De Shazer, 1993; Berg, 1994):

  • blijf je ontwikkelen in de benodigde competenties en leer ook van elkaar (intervisie). Leer van andere professionals extern (Algemeen Maatschappelijk Werk, Jeugd-GGZ, Volwassenen GGZ, Politie, etc);
  • wees eerlijk en transparant;
  • neem een neutrale niet-veroordelende houding van ‘niet-weten’ aan, dat wil zeggen onbevooroordeeld zoveel mogelijk informatie vergaren. Luister om te weten, niet om te oordelen;
  • erken dat in elk gezin signalen van veiligheid aanwezig zijn, hoe gering ook. Sluit aan bij de sterke punten van het gezin. Zoek naar de zogenaamde ‘uitzonderingen’, dus naar de positieve kanten: wanneer en wat gaat (wel) goed?
  • blijf veiligheid centraal stellen. Erken en steun de ouder in de mogelijke oorzaken van hun gedrag (of nalaten) maar wees duidelijk in je afkeuring van dat gedrag dat tot kindermishandeling leidt. Werk dus samen met de persoon, niet met de mishandeling, verwaarlozing of misbruik;
  • definieer een gezamenlijk doel: het welzijn en de veiligheid van de jeugdige;
  • vraag je voortdurend af: welk effect heeft dat wat ik doe en zeg op de jeugdige en ouder?
  • sluit aan bij de wensen van ouder(s) en jeugdigen. Houd daar rekening mee zonder veiligheid uit het oog te verliezen. Bied keuzemogelijkheden;
  • wees bescheiden of humble: durf een oordeel over de veiligheid bij te stellen wanneer een verklaring van de ouders aannemelijk is;
  • spreek in een voor iedereen begrijpelijke taal;
  • reflecteer: wees bewust van je eigen ontwikkeling en grenzen: wat zijn jouw sterke kanten en wat vind je moeilijk? Schroom nooit om advies te vragen;
  • wees bewust van je eigen normen en waarden, eigen referentiekader (eigen jeugd, opvoeding en problemen met de eigen kinderen of partner, eigen overtuigingen, religie).

Randvoorwaarden

Het werken met (vermoedens van) kindermishandeling vraagt niet alleen specifieke competenties van professionals. Het is ook belangrijk dat een aantal randvoorwaarden in de organisatie en in het netwerk is gerealiseerd. Om het werk goed te doen en kritisch te blijven is het nodig dat JGZ-professionals (bij)scholing en intervisie volgen, dat zij een aandachtsfunctionaris kindermishandeling kunnen raadplegen en dat de caseload en personele capaciteit van de organisatie realistisch is. Een deugdelijk, werkbaar, praktisch digitaal dossier is noodzakelijk. Overleg met professionals zowel intern als extern moet altijd mogelijk zijn en ook de veiligheid van de JGZ-professional zelf moet geborgd zijn (denk aan een vluchtroute, alarmknop op locatie, assistentie van de politie op locatie, in tweetallen op huisbezoek indien nodig). In geval van een juridisch proces, bijvoorbeeld wanneer de JGZ-professional als getuige gevraagd wordt in een proces, dient er juridische steun te zijn voor de betrokken JGZ-professional.

Goede besluitvorming vraagt ook om goede afspraken over samenwerking in het zorgnetwerk, zodat er een goede informatie-uitwisseling kan plaatsvinden en de werkwijze van verschillende instanties die met een gezin te maken krijgen, op elkaar afgestemd is. In het zorgnetwerk is het vooral belangrijk dat een goede samenwerking tussen instanties gerealiseerd wordt, zodat er afstemming plaatsvindt over de geboden hulp en de verwachte uitkomsten daarvan voor gezinnen. Wanneer organisaties dergelijke randvoorwaarden weten te realiseren, is de kans groter dat hulpverleners zich de kennis, vaardigheden en attitude die nodig zijn voor het professionele handelen weten eigen te maken en in hun dagelijkse praktijk zullen toepassen.

Als organisaties oog hebben voor de behoeften van hun medewerkers, kunnen medewerkers op hun beurt oog hebben voor de behoeften en belangen van jeugdigen. Turnell en Edwards (1999) gebruiken daarvoor de term practice leadership om aan te geven dat begeleiders van de professional op eenzelfde manier moeten werken en (bege)leiding geven zoals van de professional in de gezinssituatie wordt verwacht. Bijvoorbeeld door het stellen van de juiste vragen de professional zelf mogelijke antwoorden laten bedenken, gebruik maken van best practices (in plaats van inzoomen op problemen) om oplossingsrichtingen naar boven te halen.


Pagina als PDF