Richtlijn: Kindermishandeling (2016)

Ernst en prevalentie

De ernst van kindermishandeling wordt niet alleen bepaald door de heftigheid van de mishandeling, verwaarlozing of het seksueel misbruik op enig moment. Ook andere factoren spelen een rol, zoals de frequentie en duur.

De ernst of gradatie van kindermishandeling wordt als volgt ingedeeld (Willems, 1999):
1 = licht (minst ernstig);
2 = matig (tamelijk ernstig);
3 = ernstig;
4 = zeer ernstig;
5 = (bijna) fataal (meest ernstig).

Kindermishandeling is zelden een eenmalig incident en tegenwoordig wordt steeds meer gesproken van de ‘chroniciteit van kindermishandeling’ waarbij mishandeling en/of verwaarlozing een continue manier van interactie en opvoeden is geworden (Finkelhor, Ormrod, Turner,& Hamby, 2011).

De impact van kindermishandeling op de jeugdige wordt naast de ernst van kindermishandeling bepaald door factoren zoals de tijdigheid waarmee gesignaleerd wordt, de (ontwikkelings)leeftijd van de jeugdige, de veerkracht van de jeugdige, de reactie van andere volwassenen en professionals, en beschermende factoren zoals coping-strategieën en de sociale steun voor de jeugdige (o.a. Van der Putte et al., 2013). Zie ook Thema 2 over beschermende factoren. De ernst van kindermishandeling moet dan ook altijd in context worden bezien.

Prevalentie

Sinds 2005 wordt iedere vijf jaar de omvang van kindermishandeling in ons land gemonitord met de ‘Nederlandse Prevalentiestudie Mishandeling’ (NPM). Resultaten van de NPM-2015/2016 worden verwacht in 2016/2017.

Kernpunten over omvang en aard van kindermishandeling in Nederland op basis van de NPM-2010 (Alink et al, 2011) zijn:

  • De jaarprevalentie van kindermishandeling in al zijn verschijningsvormen is in Nederland naar schatting 3,4%. Dat wil zeggen dat er, op enig moment per jaar, 34 jeugdigen per 1000 worden mishandeld, verwaarloosd of misbruikt. Dit komt overeen met bijna 119.000 jeugdigen per jaar.
  • Van de scholieren in de leeftijd van 12 tot 17 jaar zegt 9,9% (99 op de 1000) zich slachtoffer te voelen van kindermishandeling en dit in het voorafgaande jaar te hebben meegemaakt.
  • In 45% van de gevallen van kindermishandeling komen combinaties van twee of meer vormen van mishandeling voor.
  • Verwaarlozing in alle vormen komt het meeste voor. De jaarprevalentie van lichamelijke verwaarlozing is naar schatting 8,1% (81 jeugdigen per 1000) en van onderwijs- en emotionele verwaarlozing 8,4% (84 per 1000).
  • Seksueel misbruik komt het minst voor, of wordt het minst gemeld, met bijna 1 op de 1000 jeugdigen.

Volgens de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2014) is de omvang van het aantal slachtoffers van seksueel geweld (zowel binnen als buiten het gezin) veel groter dan uit de NPM-2010 blijkt. Volgens de rapporteur heeft één op de tien meisjes tijdens de minderjarigheid wel eens (dus niet jaarprevalentie maar ‘ooit’), tegen haar wil, manuele seks gehad en 5% tot 10% heeft ervaring met ongewilde orale seks of geslachtsgemeenschap.

Het aantal Veilig Thuis/AMK- meldingen, adviezen en onderzoeken betreffende kindermishandeling steeg explosief sinds 2001 tot 60.000 per jaar, waarschijnlijk door de toegenomen aandacht voor kindermishandeling en meldingsbereidheid bij professionals. Sinds 2012 lijken deze cijfers te stabiliseren (Jeugdzorg Nederland).

Hoeveel jeugdigen jaarlijks overlijden ten gevolge van kindermishandeling is in Nederland niet precies bekend. Kuyvenhoven, Hekkink, en Voorn (1998) maakten op basis van vragenlijstonderzoek onder huisartsen en kinderartsen de schatting dat er 33 à 40 kinderen van 0 tot 12 jaar vermoedelijk overleden waren als gevolg van kindermishandeling in het jaar 1996.


Soerdjbalie-Maikoe, Bilo, Van den Akker, en Maes (2010) bekeken de dossiers van alle gerechtelijke secties van minderjarigen (vanaf 24 weken zwangerschap tot 18 jarige leeftijd) in de periode 1996 tot 2009. Daaruit kwam naar voren dat er gedurende die periode gemiddeld jaarlijks 15 à 17 kinderen, direct of indirect, door kindermishandeling waren gestorven. Ook vergeleken Soerdjbalie et al. (2010) de dossiers in de eigen studie met de gegevens van de studie van Kuyvenhoven et al. en concludeerden dat meer dan de helft van het aantal fatale gevallen van kindermishandeling waarop gerechtelijke sectie was verricht niet vertegenwoordigd was in de studie van Kuyvenhoven et al. Volgens Soerdjbalie et al. is in beide studies waarschijnlijk sprake van een onderrapportage van het aantal fatale gevallen van kindermishandeling. Als oorzaken noemen zij de verschillen in typen onderzoek en dat kindermishandeling mogelijk niet wordt herkend vanwege het ontbreken van objectiveerbare verschijnselen en/of door gebrek aan kennis en ervaring onder artsen die forensisch onderzoek verrichten.


Pagina als PDF