13. Springen

Kenmerken BFMT

 

Uitgangspositie kind

De onderzoeker vraagt het kind te gaan staan voor (dit wil zeggen bij en met het gezicht naar) de streep (kenmerk 11), of eventueel voor een zacht schuimrubber blok van circa 5 x 5 x 50 cm.

Uitvoering onderzoek

Voor deze opdracht vraagt de onderzoeker aan het kind om over een lijn en over een schuimrubber blok te springen. Tijdens de gehele sprong moet het kind zijn voeten naast elkaar houden en met twee voeten tegelijkertijd neerkomen. Bij de afsprong staat het kind achter de lijn/het blok, met de punten van de voeten op enkele centimeters er vandaan. Het kind springt naar de onderzoeker toe. Meestal begrijpt het kind de opdracht zo, zo nodig doet de onderzoeker de opdracht voor.

Opdracht

“Kun jij over deze lijn/dit blok springen? Je moet je voeten bij elkaar houden.”

Observatie

De onderzoeker observeert of het kind tijdens het springen de voeten bij elkaar houdt, geheel voorbij de streep of het blok landt en daarbij niet valt. Bij het landen mogen de voeten niet uiteen wijken, en ook niet na elkaar neerkomen. Tevens observeert de onderzoeker of de afzet en de landing soepel verlopen met licht gebogen knieën dan wel stijf met gestrekte knieën.

Beoordeling en registratie

 

Kwantitatief

score 0: springt niet over lijn of blok, of houdt voeten tijdens de gehele sprong niet bij elkaar of valt bij de landing      
score 1: opdracht correct uitgevoerd 

Kwalitatief soepel of niet
score 0: afzet en/of landing met stijve benen/gestrekte knieën
score 1: soepele afzet en landing met licht gebogen knieën

Voor meer informatie en video's bij dit kenmerk dient u in te loggen.

Inloggen

Deel dit met je netwerk