Vaccineren

Sommige mensen laten hun baby niet vaccineren, omdat zij bang zijn voor de gevolgen. Is dat terecht en is er verhoogd risico op wiegendood?

De vaccinatiegraad in Nederland is hoog. Van alle zuigelingen volgt 92 tot 99 procent (cijfers 2012) het door het ministerie van Volksgezondheid vastgestelde Rijksvaccinatieprogramma, dat wordt uitgevoerd onder supervisie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) te Bilthoven. De hoge deelnemingsgraad is de basis voor het welslagen van de ziektepreventie die wordt nagestreefd. Zo lang het aantal niet-deelnemende zuigelingen beperkt blijft, genieten ook die bescherming tegen epidemische uitbraken van allerlei, soms levensbedreigende ziekten. Ouders die besluiten niet te vaccineren baseren zich in de regel op godsdienstige of niet bewezen theoretische argumenten, soms zelfs op apert onjuiste beweringen.

Het vaccinatieprogramma is niet onveranderbaar. Nieuwe ziektepatronen, mutaties van ziekteverwekkende bacteriën en de ontwikkeling van steeds weer nieuwe vaccins nopen van tijd tot tijd tot aanpassingen. Zowel voor als na invoering wordt scherp in de gaten gehouden welke nadelige bijwerkingen zich voordoen. Nadelige gevolgen zijn nooit helemaal te vermijden, maar het lijdt geen twijfel dat zij in aantal zeer gering zijn en in het niet vallen bij de voordelen van inenten tegen ziekten die zonder bescherming veel slachtoffers maken.

Alle vermoede bijwerkingen van vaccinaties moeten in Nederland via de betrokken arts of rechtstreeks worden gemeld. Sinds begin 2011 gaan de meldingen naar Lareb, het centrum dat bijwerkingen van medicijnen registreert. Omdat het RIVM ook verantwoordelijk is voor de vaccinaties, wil de minister van Volksgezondheid de controle van zelfs de mogelijke schijn van belangenverstrengeling ontdoen.

Per jaar krijgen kinderen in Nederland rond 7 miljoen vaccinaties d.m.v. 1,4 miljoen prikken. Klachten over bijwerkingen worden door Lareb geregistreerd. Het gaat om enkele tientallen bijwerkingen van uiteenlopende aard: van lichte en tijdelijke ziekte, bij voorbeeld koorts of langdurig huilen, tot heftige en soms langdurige verschijnselen. Ernstige klachten moeten ter beoordeling worden voorgelegd aan de Gezondheidsraad.

Volgens het RIVM zijn de klachten van tijdelijke aard en ‘is nog nooit vastgesteld dat er iemand is gestorven als direct gevolg van een vaccinatie.’ In november 2002 concludeerde een commissie van de Gezondheidsraad dat er 'tussen 1995 en 2001 'mogelijk' één kind aan de gevolgen van vaccinatie zou zijn overleden'. In het afgelopen jaar werden 3 overlijdensgevallen gemeld. Na onderzoek werd geconcludeerd dat er geen oorzakelijk verband was met een vaccinatie.

In vele landen is de afgelopen decennia onderzoek gedaan naar mogelijk verband tussen vaccinaties en wiegendood. Dat de vraag rijst is begrijpelijk, omdat vaccinaties voor een deel gebeuren in dezelfde periode waarin wiegendood zich voordoet. Nimmer is tot op heden een oorzakelijke relatie gevonden. Toch wordt vanuit niet-wetenschappelijke kring, met name door de op pseudo-wetenschap leunende Vereniging Kritisch Prikken, de suggestie op basis van ondeugdelijke en misleidende informatie levend gehouden. Geen enkele bewering over vaccinaties uit die hoek echter is ooit houdbaar gebleken.

In Nederland is mede dank zij het doorlopende onderzoek van de Landelijke Werkgroep Wiegendood (LWW) naar actuele gevallen van wiegendood relatief veel bekend over toedracht en omstandigheden. Ook deze extra beoordeling heeft nimmer enig verband laten zien met vaccinaties.

In Engeland hebben onderzoekers in de jaren negentig aanwijzingen gevonden dat vaccinaties het risico op SIDS verminderen. Dergelijke aanwijzingen zijn al in de jaren 1979 en 1980 gerapporteerd door Amerikaanse onderzoekers. Een in 2007 gepubliceerde Duitse metastudie bevestigt de beschermende effecten van vaccinaties. Zie ook de website rijksvaccinatieprogramma.

Deel dit met je netwerk