10. Hielen lopen

Kenmerken BFMT

 

Uitgangspositie kind

Tevoren heeft de onderzoeker begin- en eindpunt (afstand 3 meter) op de vloer gemarkeerd met een strookje tape, zodanig in de onderzoeksruimte dat het kind geen steun kan zoeken aan meubilair bij het uitvoeren van de opdracht. Het kind start bij het beginpunt.

Uitvoering onderzoek

Het kind wordt gevraagd over een afstand van 3 meter op de hielen te lopen. Hierbij mogen de tenen en de voorvoet de grond niet raken. Meestal begrijpt het kind de opdracht zo, zo nodig doet de onderzoeker de opdracht voor.

Opdracht

“Kun jij van dit streepje hier tot dat streepje daar lopen op je hielen/je hakken?” (benaming is streekgebonden)

Observatie

De onderzoeker bekijkt vanuit hurkende of laagzittende positie of het kind over de hele afstand alleen met de hielen de grond raakt, of dat andere delen van de voeten (vaak de laterale voorvoeten) ook de grond raken. Dit is het gemakkelijkst vanaf de zijkant van het kind.
Tevens wordt gelet of de romp rechtop en stabiel blijft en/of de ellebogen en polsen al dan geen meebewegingen vertonen (flexie respectievelijk extensie).

Beoordeling en registratie

 

Kwantitatief

score 0: voorvoet komt geheel of gedeeltelijk op de grond
score 1: opdracht correct uitgevoerd (rechts en links)

Kwalitatief

meebewegingen van romp, armen en/of polsen?
score 0: flexie in ellebogen, extensie in polsen en/of draaien met de romp score 1: geen of slechts discrete armflexie, polsextensie, stabiele romp

Deel dit met je netwerk