7. Diadochokinese

Kenmerken BFMT

Uitgangspositie kind

Het kind staat voor de onderzoeker (voorwaarde is voldoende bewegingsruimte).

Uitvoering onderzoek

De onderzoeker maakt de opdracht eerst duidelijk aan het kind door deze voor te doen: “Kijk eerst wat ik doe en daarna ga ik kijken of jij dat precies zo kunt”. De onderzoeker doet de opdracht zowel rechts als links voor. De hand wordt in een ritmische beweging wisselend palmair en volair op de handpalm van de andere hand gelegd, met flexie van 90° in de elleboog en met horizontaal gehouden onderarm. Duur en snelheid: in 5 seconden ongeveer 10x handpalm aanraken. Tijdens de uitvoering door het kind telt de onderzoeker niet hardop mee.

 

Opdracht

“Nu jij, kun jij dit 10x nadoen?”

Observatie

De onderzoeker observeert of de hand in een ritmische beweging van tien keer in circa 5 seconden wisselend palmair en volair op de andere hand wordt gelegd (pronatie respectievelijk supinatie), met flexie van 90° in de elleboog en met horizontaal gehouden onderarm. De handen dienen dus 180º gedraaid te worden en in de palm van de andere hand gelegd te worden. De onderzoeker telt in gedachten mee. Wanneer het kind te vroeg stopt wordt de opdracht herhaald en telt de onderzoeker zachtjes mee ter aansporing. Tevens let de onderzoeker erop of de bovenarm/elleboog al of niet mee abduceert bij de pronatie-fase. Indien de opdracht klappend (met bijgeluiden) wordt uitgevoerd, vraagt de onderzoeker aan het kind of hij het ook stiller kan.

Beoordeling en registratie

 

Kwantitatief

score 0: het kind draait zijn hand niet steeds om, of komt met de zijkant van de hand op zijn handpalm, of het ritme is onregelmatig, of er zijn veel bijgeluiden (dus niet soepel)
score 1: soepele ritmische omdraaibewegingen met de hand op de handpalm (rechts en links) 

Kwalitatief

vanuit de pols en elleboog of vanuit de schouders
score 0: met ab- en adductie van de bovenarm   
score 1: vanuit de elleboog: de bovenarm blijft tegen de romp

Deel dit met je netwerk