Met SPARK eerder opvoedproblemen signaleren

18 maart 2016

Met het gebruik van SPARK (Structured Problem Analysis of Raising Kids) worden opvoed- en opgroeiproblemen eerder gesignaleerd door ouders en door JGZ-professionals, zo blijkt uit het promotieonderzoek van Ingrid Staal, werkzaam bij de JGZ van GGD Zeeland. Uit haar onderzoek blijkt dat risico’s eerder herkend worden, er minder verschillen zijn tussen professionals bij het vroegsignaleren en dat de vervolgacties beter aansluiten bij de behoeften van ouders. 

In dialoog met ouders worden hun zorgen en zorgbehoeften op gestructureerde wijze gemeten. De jeugdverpleegkundige bespreekt met ouders van peuters verschillende domeinen en vraagt daarbij of zij vragen hebben, problemen ervaren of behoeft aan ondersteuning hebben. De jeugdverpleegkundige maakt ook zelf een inschatting van de ondersteuningsbehoefte en van het risico op opvoed- en opgroeiproblemen.  

Zie ook de website over SPARK van het Julius centrum. 

Uit het promotieonderzoek bij ruim 3000 ouders van van peuters bleek dat SPARK op valide en betrouwbare wijze werkt. Ook werd gekeken of een huisbezoek de vroegsignalering van opvoed- en opgroeiproblemen verbetert en of de SPARK toegevoegde waarde heeft ten opzichte van een gewoon consultatiebureaubezoek. Drie groepen van ongeveer 2200 ouders met peuters per groep zijn hierbij vergeleken; een groep die een huisbezoek met SPARK ontvingen; een groep die een consultatiebureauconsult met SPARK ontvingen en een groepdie een regulier consultatiebureauconsult ontvingen (zonder de inzet van SPARK). Hieruit bleek de toegevoegde waarde van het gebruik van SPARK. Wanneer SPARK wordt gebruikt worden meer opgroei-en opvoedproblemen gesignaleerd. Ook het huisbezoek heeft toegevoegde waarde; bij het gebruik van  SPARK tijdens een huisbezoek worden meer kinderen met een hoog risico gevonden. Daarnaast krijgen JGZ-professionals bij een huisbezoek meer en betere informatie over de gezins- en woonsituatie en zijn ouders en kinderen meer op hun gemak in hun eigen omgeving.


bron: website Universiteit Utrecht

Deel dit met je netwerk